Zaterdag 23 februari

Gedachtenis van de heilige Polycarpus, leerling van de apostel Johannes, bisschop en martelaar (+ 155).

Heb 11, 1-7. Een wolk van getuigen

Het geloof is de vaste grond voor wat wij hopen, het bewijs van wat wij niet zien. 2 Om hun geloof werden de ouden met ere vermeld. 3 Door het geloof erkennen wij dat het heelal tot stand is gekomen door Gods woord, en wel zo dat het zichtbare ontstaan is uit het onzichtbare. 4 Door het geloof bracht Abel God een beter offer dan Kaïn; zo wordt van hem vermeld dat hij een rechtvaardige was, want God aanvaardde zijn gaven; door het geloof blijft hij spreken, ook na zijn dood. 5 Door het geloof werd Henoch opgenomen, zodat hij de dood niet heeft gezien. Hij was er niet meer, want God had hem opgenomen. Van hem wordt vermeld dat hij voor zijn opneming welgevallen vond bij God; 6 en zonder het geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn; wie bij God wil komen, moet geloven dat Hij bestaat en dat Hij allen beloont die Hem zoeken. 7 Door het geloof heeft Noach, door God gewaarschuwd voor wat nog niet te zien was, met grote zorg een ark gebouwd om zijn familie te redden. Door zijn geloof heeft hij de wereld veroordeeld en zelf de gerechtigheid van het geloof verworven.

De brief aan de Hebreeën dompelt de lezer onder in een lange geschiedenis van geloof, die aanvangt in verre tijden, om hem er deel van te laten voelen. De lange lijst helpt de lezer om de rijkdom van deze geschiedenis te vatten en die de rug niet toe te keren. Volgens de auteur is het geloof geen abstracte oefening, maar wel “de vaste grond voor wat wij hopen, het bewijs van wat wij niet zien”. Het geloof is de zekerheid om voortaan dat “beter vaderland” (11,16) te bezitten waarheen we op weg zijn. De auteur merkt op: “Door het geloof erkennen wij dat het heelal tot stand is gekomen door Gods woord, en wel zo dat het zichtbare ontstaan is uit het onzichtbare”. De zichtbare dingen, de schepping en de dingen van deze wereld werden gecreëerd door het woord dat, ook al was het onzichtbaar, de kracht heeft gehad om te creëren. De geschiedenis is begonnen met het geloof, vertrekkend bij dat van Abel die God een beter offer heeft gebracht dan Kaïn, en dan vernoemt hij Henoch, Noach, om zo tot bij Abraham te komen, bij wie de brief wat langer stilstaat. Abraham is inderdaad de gelovige bij uitstek, de vader van alle gelovigen. Hij gehoorzaamde zonder aarzelen aan de oproep van God en liet zijn land achter om naar een onbekend land te gaan dat God hem aanduidde. Het was geen blinde gehoorzaamheid in het ijle, maar gehoorzaamheid aan het woord van God. Wat zou immers een betere garantie bieden op een goede toekomst? Toen Abraham aankwam, woonde hij in tenten, want “hij zag uit naar de stad met fundamenten” (11,10). Door zijn geloof heeft Abraham een rijkelijk nageslacht gehad “talrijk als de sterren aan de hemel en ontelbaar als de zandkorrels aan het strand van de zee”. Zijn nageslacht zijn die gelovigen die zich toevertrouwen aan God en die wachten op het vaderland dat Hij hen beloofd heeft maar waarvan ze nu al een voorsmaak krijgen. Zij “zijn allen in geloof gestorven, zonder te hebben ontvangen wat hun beloofd was. Zij hebben het alleen uit de verte gezien en begroet. Zij hebben zichzelf vreemdelingen en voorbijgangers op aarde genoemd” (11,13). Voor hen heeft de Heer een sterke stad voorbereid. We zijn allemaal “vreemdelingen en voorbijgangers” omdat we allemaal uitkijken naar een “hemels vaderland”, het hemelse Jeruzalem (Apk 21). Daarom zegt de brief aan Diognetus “Zij wonen in hun eigen vaderland, maar als vreemdeling; zij kwijten zich van hun burgerplichten en verdragen als vreemdeling alles. Ieder vreemd land is hun vaderland en ieder vaderland is een vreemd land”.

Gebed op de vigilie

Advertenties