Dinsdag 13 augustus

Dt 31, 1-8. De aanstelling van Jozua

1Aan het slot van zijn woorden tot Israël 2 zei Mozes tegen hen: ‘Ik ben nu honderdtwintig jaar en nauwelijks meer tot iets in staat. Bovendien heeft de heer mij gezegd: “U komt de Jordaan niet over.” 3 Maar de heer uw God zal bij de overtocht voor u uit gaan; Hij zal die volken voor u vernietigen, zodat u hun land in bezit kunt nemen. Jozua zal bij de overtocht voor u uit gaan, zoals de heer gezegd heeft. 4De heer zal hen vernietigen, zoals Hij Sichon en Og, de koningen van de Amorieten, en hun land heeft vernietigd. 5En als de heer hen aan u overlevert, moet u met hen precies zo handelen als ik u heb voorgeschreven. 6 Wees sterk en moedig, wees niet bang en heb geen schrik voor hen, want de heer uw God trekt zelf met u mee: Hij laat u nooit alleen, Hij laat u niet in de steek.’ 7 Toen riep Mozes Jozua en in tegenwoordigheid van heel Israël zei hij tegen hem: ‘Wees sterk en vol moed! U zult dit volk in het land brengen dat deheer aan hun vaderen onder ede beloofd heeft: u zult hun dat land in bezit geven. 8 De heer gaat voor u uit, Hij zal met u zijn: Hij laat u niet aan uw lot over en laat u niet in de steek. Wees dus niet bang of bevreesd.’

Mozes is werkelijk een man van God. In alles wat hij doet, luistert hij steeds naar de Heer, die hem geleid heeft om zijn volk uit de slavernij in Egypte te bevrijden. Als je luistert naar God, hou je van je volk, want als je je leven verbindt aan de Heer, heb je de zijnen lief en verdedig je hen, degenen die Hij kiest en aan ons toevertrouwt. Om zijn volk naar het beloofde land te leiden, heeft Mozes het harde leven in de woestijn getrotseerd, de angst voor het Egyptische leger, het ongeloof van zijn volk, hun keuze om afgoden te aanbidden, de bittere heimwee. Hij is zijn volk steeds blijven leiden, want hij is altijd naar God blijven luisteren en hij is trouw gebleven aan diens wet. Hij is tot vlak bij het beloofde land gekomen, maar gaat er niet binnen. Dat had de Heer hem gezegd. Mozes wanhoopt niet, hij eist niets op voor zichzelf, hij eist geen rol of geen recht op. Het land waarvoor hij alles onderweg getrotseerd heeft, zal hem niet toebehoren. Op het einde van zijn leven geeft Jezus de gelovigen een zaligspreking mee: “Gelukkig zij die zonder gezien te hebben toch tot geloof komen”. Als je gelooft, heb je alles al. Mozes heeft nooit getwijfeld aan de belofte van de Heer. Hij hoeft ze niet per se te bezitten. Hij weet dat alles gave is en dat God zijn volk zelf zal leiden. Mensen denken vaak dat een geschenk hun toebehoort, dat alles om hun eigen persoon draait. Ze willen zich laten gelden en eigenen zich op den duur alles toe. Mozes vraagt zijn volk dat ze God blijven vertrouwen, om nieuwe uitdagingen aan te gaan. Wanneer eindigt de weg? Wij zien eigenlijk allemaal “van ver” en wij vertrouwen ons toe aan God die zelf “met u mee trekt: Hij laat u nooit alleen, Hij laat u niet in de steek”. Jozua zal het volk leiden. Maar de Heer gaat hem onderweg steeds voor. De grote sereniteit van Mozes, zijn onthechting, terwijl de leerlingen en de mensen zich in hun keuzes vaak door bezitsdrang laten leiden, maken van hem een ware gelovige.

Gebed met Maria, moeder van God 

Advertenties