Donderdag 8 augustus

Nu 20,1-13. Het water uit de rots

1In de eerste maand kwam heel de gemeenschap van de Israëlieten in de woestijn Sin. Tijdens het verblijf van het volk in Kades overleed Mirjam, en zij werd ter plaatse begraven. 2Eens was er geen water voor de gemeenschap. Het volk schoolde samen tegen Mozes en Aäron 3 en begon Mozes verwijten te maken. Zij zeiden: ‘Waren wij maar door ingrijpen van de heer gestorven zoals onze broeders! 4 Hebt u de gemeente van de heer naar deze woestijn geleid om er mens en dier de dood te laten vinden? 5 Waarom hebt u ons uit Egypte geleid naar dit ellendig oord, waar geen koren is, geen vijg, geen wijnstok, geen granaatappel, en zelfs geen water?’ 6 Toen verwijderden Mozes en Aäron zich van de gemeente en gingen naar de ingang van de tent van samenkomst en wierpen zich ter aarde. De heerlijkheid van de heer verscheen voor hen 7 en de heer sprak tot Mozes: 8‘Neem de staf en roep met uw broer Aäron de gemeenschap bijeen. U moet in hun bijzijn de rots gebieden water te geven, dan zult u uit die rots water laten stromen en de gemeenschap en het vee laten drinken.’ 9 Mozes nam de staf uit het heiligdom, zoals de heer hem gezegd had. 10 Toen riepen Mozes en Aäron de gemeente voor de rots bijeen. Mozes zei tegen hen: ‘Luister, opstandigen! Zullen wij voor mensen als jullie water uit deze rots laten stromen?’ 11 Mozes hief zijn hand op en sloeg met zijn staf op de rots, tweemaal: toen stroomde er volop water uit, zodat de gemeenschap en het vee konden drinken. 12 Maar de heer zei tegen Mozes en Aäron: ‘Uw vertrouwen in Mij is niet zo groot geweest dat u tegenover de Israëlieten mijn heiligheid hebt hooggehouden. Daarom zult u deze gemeente niet binnenleiden in het land dat Ik hun gegeven heb.’ 13 Dat water is het water van Meriba, waar de Israëlieten de heerverwijten maakten en Hij bij hen zijn heiligheid openbaarde.

We zijn nog altijd onderweg in de woestijn op weg naar het beloofde land. Die woestijn is zoals het dagelijks leven, ook voor de gelovigen. Aan moeilijkheden en hindernissen geen gebrek. Die dag is er geen water, een eerste levensbehoefte – we kunnen ons voorstellen wat het betekent om zonder water  in de woestijn te lopen. Hier staat, in tegenstelling tot in andere teksten dat “het volk samenschoolde tegen Mozes”. Het Hebreeuwse woord verwijst echter niet naar ons dagelijks banaal geruzie. Een handeling van God wordt hier ter discussie gesteld omdat die uiterst onrechtvaardig zou zijn. Hij heeft een volk bevrijd om het daarna te laten omkomen! Het is een zware beschuldiging die voortkomt uit een voortdurend onbegrip van Israël en zijn onvermogen om zich aan de Heer en zijn bescherming toe te vertrouwen. Op de moeilijke momenten in het leven beschuldigen we de Heer er vaak van dat Hij onrechtvaardig voor ons is en we vergeten hoeveel we al van Hem ontvangen hebben. Zo sluiten we ons op in ons eigen rechtvaardigheidsgevoel en gaan we tegensputteren en onze eigen rechten opeisen, zonder de nederigheid aan de dag te leggen om ons in onze nood te laten helpen. Maar de Heer luistert ook naar ons geklaag en wordt het nooit moe om een antwoord te geven, zelfs niet aan een volk dat denkt dat het onrechtvaardig behandeld wordt. Daarom laat Hij water opborrelen voor Israël. Maar Mozes noch Aäron zullen dit volk binnenleiden in het land dat God hun schenkt. Ook zij hebben getwijfeld aan de medelijdende aanwezigheid van God. Daarom zullen ze niet binnengaan in het land waar ze zo naar verlangd hadden. 

Gebed voor de kerk

Advertenties