Woensdag 7 augustus

Nu 13, 1-3a.25 – 14, 1.26-30.34-35. Mozes vecht tegen het ongeloof van het volk

1De heer sprak tot Mozes: 2 ‘Zend mannen uit om Kanaän te verkennen, het land dat Ik aan de Israëlieten geef; één man uit elke stam; het moeten mannen van aanzien zijn.’ 3 Vanuit de Paranwoestijn zond Mozes hen op bevel van de heer uit; 25 Na veertig dagen keerden zij van hun verkenningstocht terug. 26 Zij gingen naar Mozes en Aäron en naar heel de gemeenschap van de Israëlieten in de Paranwoestijn in Kades. Zij brachten aan hen en aan heel de gemeenschap verslag uit en lieten hun de vruchten van het land zien. 27 Zij vertelden: ‘Wij zijn in het land geweest waarheen u ons gestuurd hebt en het vloeit werkelijk over van melk en honing. Kijk maar eens naar deze vruchten. 28Maar het volk dat er woont, is buitengewoon sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot. Wij hebben er zelfs Enakieten gezien. 29 In de Negeb wonen Amalekieten, in het gebergte Hethieten, Chiwwieten, Jebusieten en Amorieten, en aan de zee en langs de Jordaan wonen Kanaänieten.’ 30Kaleb trachtte het volk tot volgzaamheid tegenover Mozes te bewegen en zei: ‘Wij kunnen gerust optrekken om het te veroveren, want wij zijn er zeker toe in staat.’ 31 Maar de mannen die met hem waren uitgezonden, zeiden: ‘Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken; het is te sterk voor ons.’ 32 Zij verspreidden onder de Israëlieten ook allerlei praatjes over het land dat zij verkend hadden. Zij zeiden: ‘Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben, is een land dat zijn bewoners verslindt, en de mensen die wij er gezien hebben waren geweldig groot. 33 Wij hebben er de reuzen gezien, de zonen van Enak. Wij voelden ons sprinkhanen en zij moeten ons ook daarvoor hebben aangezien.’ 1Toen begon de hele gemeenschap luid te roepen en het volk bleef heel de nacht jammeren. 26 De heer sprak tot Mozes en Aäron: 27 ‘Mijn geduld met deze verdorven gemeenschap die tegen Mij mort, is uitgeput! Dat voortdurende gemor van de Israëlieten heb Ik nu genoeg gehoord. 28 Zeg hun: Zowaar Ik leef – godsspraak van de heer – wat Ik u heb horen zeggen, dat zal Ik ook met u doen. 29 In deze woestijn zullen de lijken liggen van allen die tegen Mij hebben gemord, van alle ingeschrevenen, van ieder boven de twintig jaar. 30 U zult het land dat Ik u met opgeheven hand als woonplaats heb toegezegd, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. 34 Voor elke dag van de veertig dat u het land verkend hebt, zult u een jaar voor uw misdaden boeten, veertig jaar in totaal, zodat u weet wat het betekent als u zich tegen Mij verzet. 35 Ik, de heer, heb gesproken. Dit zal Ik zeker doen met heel deze verdorven gemeenschap die tegen Mij heeft samengespannen: in deze woestijn zullen zij tot de laatste man sterven.’ 

Deze passage uit het boek Numeri begint met het verhaal van de ontdekking van het land Kanaän, dat God aan zijn volk beloofd had. Mozes kies twaalf mannen uit, één per stam, om het land te gaan verkennen. Elke stam moet erbij betrokken zijn zodat allen weten dat het beloofde land niet meer veraf is en dat de hoop werkelijkheid wordt. Ook voor ons is dat een aanwijzing: we kunnen allemaal getuige worden van een vernieuwde wereld, omdat die droom niet abstract en niet veraf is. Een nieuwe wereld is mogelijk – een wereld die bevrijd is van de slavernij van de oorlog en het geweld en waar alle volkeren kunnen wonen. Iedere gelovige kan er wonen en er overal van getuigen. De twaalf verkennen het beloofde land. Ze zien dat het een land van melk en honing is, waar de diepste verlangens werkelijkheid worden. Het feit dat ze de schoonheid van dat land gezien hebben, maakt hun getuigenis natuurlijk sterker. Maar het Bijbelverhaal benadrukt de schrik van die getuigen. Ze hebben de schoonheid en de rijkdom van dat land wel gezien, maar hoe moet het veroverd worden? Zijn bewoners zijn veel sterker en ervarener in het oorlog voeren dan Israël, 

onmogelijk te verslaan dus: “Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken, het is te sterk voor ons” (13, 31). Door de schrik begint het volk te twijfelen en te morren. Zo zou het precies kunnen gebeuren met hedendaagse christenen die berusten in een wereld die ten prooi is aan het geweld en die onmogelijk lijkt te kunnen veranderen. Paus Franciscus noemt hen de ‘verslagen christenen’. Ze zijn ervan overtuigd dat de problemen altijd te moeilijk. Tegenover die kreet van wanhoop lijkt God wel te vechten tegen het ongeloof van zijn volk dat hij uit Egypte bevrijd heeft en dat nu op het punt staat dat land ten geschenke te krijgen. Het is waar dat dit enkel met onze eigen kracht onmogelijk is. Maar als de Israëlieten zich aan God toevertrouwen, kunnen ze het land binnentrekken en het in bezit nemen. Ze waren vergeten dat ze niet sterk zijn uit zichzelf, maar omdat ze door God geleid worden. Deze les is op alle bladzijden van de Bijbel terug te vinden, ook die van het Nieuwe Testament. Voor zijn hemelvaart stelt Jezus zijn leerlingen gerust: “Weet wel, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld” (Mt 28, 20). Dat is de serene kracht van de gelovige. 

Gebed met de heiligen

Advertenties