Maandag 5 agustus

Nu 11, 4b-15. Het volk van God jammert in zijn ongeloof

Zij zeiden: ‘Wie kan ons aan vlees helpen? 5 Wij hebben heimwee naar de vis die wij in Egypte voor niets te eten kregen, naar de komkommers en de meloenen, naar de prei, de uien en het knoflook. 6 Wij drogen uit! Er is niets! Wij krijgen alleen maar manna te zien.’ 7 Het manna leek op korianderzaad en zag er uit als balsemhars. 8 Het volk verspreidde zich om het bijeen te rapen. Ze maalden het met een handmolen en stampten het fijn in een vijzel. Ze kookten het in een pot en maakten er koeken van, zodat het smaakte als oliegebak. 9 Met de dauw viel ’s nachts ook het manna op het kamp neer. 10 Toen Mozes hoorde hoe het volk, stam na stam, bij de ingang van de tenten zat te jammeren, en de heer in hevige toorn ontstak, werd hij ontstemd. 11 Hij vroeg de heer: ‘Waarom doet U uw dienaar dit verdriet aan? Waarom heb ik geen genade bij U gevonden, dat U mij de last van heel dat volk laat dragen?

Het volk Israël jammert dat het niet genoeg eten heeft. Tijdens de slavernij in Egypte had het dat wel. In die verschrikkelijke jaren genoot het van een rijke variatie voeding die de tekst opnoemt: “We hebben heimwee naar de vis die wij in Egypte voor niets te eten kregen, naar de komkommers en de meloenen, naar de prei, de uien en het knoflook” (5). Nu hebben ze slechts manna. Maar het dagelijkse manna dient om de Israëlieten te leren om totaal op God te vertrouwen, die dag na dag in het nodige voorziet. Ook Jezus zal zeggen: “Vraag je dus niet bezorgd af: Wat zullen we eten? Wat zullen we drinken? Wat zullen we aantrekken? Want naar dat alles zijn de heidenen op zoek. Jullie hemelse Vader weet wel dat je dat allemaal nodig hebt” (Mt 6, 31-32). Door hun weigering om tevreden te zijn met wat God hun geeft, beginnen de Israëlieten te klagen. Hoe makkelijk klagen we wanneer we denken dat de Heer ons vergeten is. Door de angst worden kleine problemen groot, worden we nostalgisch en zoeken we valse zekerheden. Ook de leerlingen zullen denken dat Jezus hun praktische noden niet genoeg ter harte neemt. Petrus wil door Hem gerustgesteld worden over wat er gebeurt met wie alles achterlaat om Hem te volgen. Het kwade insinueert altijd dat we niet genoeg hebben en dat we aan ons lot overgelaten zijn. Het verbergt de vele tekenen van Gods mededogen en aanwezigheid. Zo vallen we ten prooi aan de “hebzucht”, de verleiding om te bezitten, te consumeren, af te meten en vergoed te worden. Het verleden wordt nostalgie. Het belichaamt alles wat we kwijt zijn terwijl we vergeten dat we eigenlijk slaven waren en dat ons brood bitter smaakte. Als we terugkijken, zien we niet meer wat we allemaal ontvangen hebben. Mozes luistert naar de klaagzang van het volk en maakt hem tot de zijne. Hij voelt zijn ontoereikendheid en legt haar aan God voor: “ Ik kan de last van heel dat volk niet alleen dragen. Het is te zwaar!” Vaak voelen de leerlingen van de Heer hun tocht wegen en vragen ze om gerustgesteld te worden. God neemt daar geen aanstoot aan, Hij luistert naar allen en hoort al onze vragen. 

Gebed voor de armen

Advertenties