Woensdag 31 juli

Ex 34, 29-35. Mozes’ gelaat

29Toen Mozes de berg Sinai afdaalde met de twee stenen platen van het verbond, was hij zich er niet van bewust dat zijn gezicht glansde omdat hij met God gesproken had. 30 Maar Aäron en de overige Israëlieten zagen de glans op het gezicht van Mozes wel, en zij durfden hem niet te naderen. 31 Maar toen Mozes hen riep, kwamen Aäron en al de leiders van de gemeenschap naar hem toe. Mozes bracht hun verslag uit. 32Daarna kwamen al de Israëlieten naar hem toe. Hij hield hun alles voor wat de heer hem op de berg Sinai gezegd had. 33Toen Mozes zijn toespraak beëindigd had, deed hij een doekover zijn gezicht. 34 En telkens als Mozes naar de heer ging om met Hem te spreken, deed hij de doek af tot hij weer buiten kwam. Als hij dan, naar buiten gekomen, de Israëlieten ging meedelen wat zij moesten doen, 35 zagen zij de glans op zijn gezicht; dan deed hij de sluier weer over zijn gelaat, tot hij opnieuw naar binnen ging om met de heer te spreken.

Mozes is pas van de berg naar beneden gekomen waar hij opnieuw de stenen platen van de wet heeft ontvangen met het woord dat richting moet geven aan het leven van zijn volk. Hij heeft ze opnieuw ontvangen, nadat Israël de onthulling van de naam van God had verlaten: “De Heer is een barmhartige en genadige God, geduldig, groot in liefde en trouw”. Dan moet Mozes’ gelaat wel “stralen” nadat hij met de Heer heeft gesproken. Tot driemaal toe wordt gesproken over “de glans op zijn gezicht”. Je kunt luisteren, of beter nog, in gesprek gaan met God. Wanneer je dat doet, moet je gelaat wel stralen en de schoonheid van God en zijn barmhartigheid laten schijnen. Een triest en boos gezicht is geen teken van Gods aanwezigheid. Misschien doet Mozes daarom wel een doek voor zijn gezicht wanneer hij met de Israëlieten spreekt, om te voorkomen dat ze ondersteboven zijn van het sterke licht dat laat zien dat hij God ontmoet heeft. Denk eens terug aan onze dagen met hun talloze ontmoetingen en vraag je af: kan degene die wij ontmoeten op ons gezicht het licht van God zien die tot ons heeft gesproken? Laten we voor ogen houden dat anderen er nood aan hebben om via ons het licht van God te ontmoeten opdat ook zij in staat zijn om naar Hem te luisteren en betere mensen te worden. 

Gebed met de heiligen

Advertenties

Dinsdag 30 juli

Gedachtenis van Nunzia, vrouw met een mentale beperking die in 1991 in Napels overleed; herinnering aan alle mensen met een mentale beperking die in de Heer zijn ontslapen. 

Ex 33, 7-11; 34, 5-9.28. De tent van samenkomst

7 Mozes sloeg telkens de tent op buiten het kamp, op een behoorlijke afstand; hij noemde haar ‘tent van samenkomst’. Iedereen die de heerzocht, ging naar deze tent, buiten het kamp. 8 Als Mozes naar de tent ging, gingen alle mensen voor de ingang van hun tent staan en bleven ze hem nakijken tot hij in de tent was verdwenen. 9 En als Mozes dan binnen was, daalde de wolkkolom neer en bleef staan boven de ingang van de tent. Dan sprak de heer tot Mozes. 10 Zodra de mensen de wolkkolom boven de ingang van de tent zagen staan, bogen zij zich neer bij de ingang van hun tent. 11 De heer sprak dan tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn medemens spreekt. Ook als Mozes naar het kamp terugging, verliet zijn jeugdige helper Jozua, zoon van Nun, de tent niet. 5 De heer daalde neer in een wolk, kwam bij hem staan en riep de naam heer uit. 6 De heer ging hem voorbij en riep: ‘heer! De heer is een barmhartige en genadige God, geduldig, groot in liefde en trouw, 7 diegoedheid bewijst tot in de duizendste generatie, die misdaden, overtredingen en zonden vergeeft, en een schuldige niet ongestraft laat, maar de misdaden van de vaders straft in hun kinderen en kleinkinderen, in de derde en vierde generatie.’ 8 Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer. 9 Toen sprak hij: ‘Och Heer, wees zo goed en trek dan met ons mee. Dit volk is wel halsstarrig, maar vergeef ons onze ongerechtigheden en zonden, en beschouw ons als uw eigen bezit.’ 28 Mozes bleef daar veertig dagen en veertig nachten bij de heer, zonder te eten of te drinken. En de heer grifte de woorden van het verbond, de tien geboden, in de stenen platen.

Ook in de problemen van de woestijn kun je God ontmoeten. Daar is wel een man van geloof zoals Mozes voor nodig. Hij leeft in een bijzondere verbondenheid met God. De wolkkolom die neerdaalt op de tent was het teken van Gods aanwezigheid als Hij met zijn profeet sprak. Maar God daalt niet alleen voor zijn profeet af. Via Mozes spreekt Hij tot Israël. Mozes had een bijzondere aantrekkelijke kracht. Iedereen keek naar hem, de man van God, degene die van aangezicht tot aangezicht met de Heer sprak en dus Gods gedachten aan iedereen kon meedelen. Door te luisteren neemt het hele volk deel aan dat goddelijk gesprek dat plaatsvond in de tent van samenkomst. Iedereen moet daarvoor uit zijn eigen kleine tent komen, uit de dagelijkse omgeving, uit de beperkingen van de eigen horizon, en moet beginnen te luisteren. De heilige auteur schrijft niet zomaar dat Mozes in het kamp terugkomt. Gods woord daalt in het leven van elke dag neer om het vruchtbaar te maken in de liefde. In iedere mens leeft het verlangen om God en zijn schoonheid te zien. Mozes gloeit van dat verlangen en drukt het uit in het gebed. Maar wie kan Gods gelaat zien? Die keer verbergt Hij zich echter niet voor Mozes. Hij weigert niet om aan dat verlangen tegemoet te komen dat een uitdrukking van geloof en liefde is. Mozes zal Gods heerlijkheid kunnen zien. Hij zal van de schoonheid van zijn aanwezigheid mogen genieten. Hij wordt naar de hoge rots gebracht en door God zelf beschermd met diens barmhartige hand, zodat hij Hem kan zien en in leven kan blijven. Ook Jezus toont zijn heerlijkheid aan de leerlingen op de berg Tabor. Zij zien zijn getransfigureerde gezicht. In Hem kunnen ook wij de schoonheid van Gods gelaat bemediteren, dat gelaat dat altijd centraal staat in het gebed van de Gemeenschap van Sant’Egidio. Met de psalmist bidden we: “Laat uw aanschijn oplichten en wij zijn gered” (80, 20). 

Gebed met Maria, moeder van God

Maandag 29 juli

Gedachtenis van Marta, die de Heer in haar huis ontving. 

Lc 10, 38-42. Marta en Maria

38 Op hun reis ging Hij een dorp in. Een vrouw, Marta genaamd, ontving Hem. 39 Zij had een zuster die Maria heette. Die kwam aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. 40 Marta had het heel druk met bedienen. Ze ging naar Jezus toe en vroeg: ‘Heer, laat het U koud dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dat ze mij komt helpen.’41 De Heer gaf haar ten antwoord: ‘Marta, Marta, je maakt je bezorgd en druk over van alles, 42 maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen.’

Vandaag gedenkt de kerk Marta, de zus van Maria en Lazarus. Door haar begrijpen we de kracht van het evangelie dat ons hart en ons leven verandert. Toen Marta Jezus bij haar thuis ontving, “had ze het heel druk met bedienen”, wat voor haar het belangrijkste was. Deze “dienst”, haar overtuiging, beneemt haar zodanig dat ze geen oog meer heeft voor de aanwezigheid van de Meester. Ze is zodanig geconcentreerd op haar eigen overtuiging dat ze niet meer luistert naar Jezus, en Hem zelfs terechtwijst omdat Hij geen oog voor haar zou hebben.. Zo toont ze waar het voor haar echt om draait: niet om Jezus, maar om zichzelf. Ze gedraagt zich dus als een dienstmeisje dat voor zichzelf opkomt omdat ze vindt dat haar rol niet genoeg aandacht krijgt. Ze wil dus eigenlijk zelf in de aandacht staan – uit geldingsdrang – en ze heeft het er moeilijk mee dat Maria zich wel als vriendin gedraagt. Ze denkt waarschijnlijk dat het fout is om daar gewoon maar wat te zitten en verder niets te doen voor je gast en dat Jezus net zo is als de mensen die zichzelf in het middelpunt willen zetten en bediend willen worden. Ze maakt zich ontzettend druk, ook al was haar eigenlijke bedoeling om gastvrij te zijn. Ze is de essentie uit het oog verloren. Telkens wanneer wij op onszelf en onze eigen zaken focussen, luisteren we niet naar de Heer – hoe vaak zijn wij niet zo druk bezig dat we zelfs geen tijd vinden om het woord van God te lezen of ernaar te luisteren  – en begrijpen wij de zin niet meer van wat we aan het doen zijn. We verliezen dan onze prioriteiten: alles lijkt even belangrijk, maar niets is echt belangrijk. Het beste deel is datgene wat niemand ons kan ontnemen: onze band met de Heer. Maria heeft begrepen wat echt belangrijk is in het leven. Ze was bij de Heer gaan zitten en luisterde aandachtig naar zijn woorden. Luisteren naar het evangelie geeft richting aan ons leven, aan onze manier van denken en van handelen. Marta luistert naar Jezus’ raad en opent haar hart voor Hem, terwijl ze Hem blijft bedienen. Toen Jezus het graf van Lazarus kwam bezoeken, die pas overleden was, was zij de eerste die de Meester opmerkte en Hem tegemoet liep. Ze had geleerd om te lopen naar die Meester die haar, haar zus en Lazarus liefhad zoals niemand anders. Vandaag vraagt ze ook aan ons om ons niet te laten meeslepen door onze bezigheden, maar om naar buiten te gaan en de Meester die ons kan redden van de dood tegemoet te lopen.

Gebed voor de armen

Zondag 28 juli

17de zondag door het jaar   

Gn 18, 20-32; Ps 137; Kol 2, 12-14; Lc 11, 1-13

Vaak wordt in de evangelies verteld hoe Jezus zich op een eenzame plaats terugtrekt om te bidden. Dat was waarschijnlijk een dagelijkse gewoonte. Het waren belangrijke momenten voor Jezus. Niet zelden zagen de leerlingen het en bewonderden Hem daarom. Denken we maar aan de gedaanteverandering op de berg Tabor, terwijl Hij bad. Op een van die momenten, zo vertelt Lucas, vraagt een van zijn leerlingen Hem als Hij klaar is met bidden: “Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft”. Ongetwijfeld verbaasde het gebed van Jezus zijn leerlingen. Vandaar hun vraag: “Leer ons bidden”, niet in de zin van een gewoon gebed, maar een manier om te bidden zoals Jezus zelf bad – Leer ons bidden zoals U bidt – een gebed met hetzelfde vertrouwen dat Jezus in zijn Vader heeft en dat de leerlingen verbaast. Jezus herhaalt ook aan ons: “Wanneer je bidt, zeg dan Vader”. Papa. We weten hoezeer dat woord ophef veroorzaakte in het joodse religieuze leven waar het verboden was om God bij zijn naam aan te spreken. Maar met een spirituele revolutie die absoluut onvoorstelbaar is, roept Jezus ons op om Hem papa te noemen. Dit woord neemt elke afstand weg tussen ons en God. Niet alleen is Hij niet langer veraf, maar we herkennen in Hem de vader van allen en ieder mag rechtstreeks tot Hem spreken zonder dat er bemiddelaars nodig zijn. In het gebed doet Jezus ons de vertrouwelijkheid van een rechtstreekse verhouding met God terugvinden. Tijd noch plaats zijn van belang. Wat telt, is het hart, de vriendschap met God. Zo was het ook voor Abraham. Daarom is het gesprek dat hij met God begint als hij pleit om Sodom, dat tot wanorde vervallen, was te redden exemplarisch en suggestief. God zelf denkt na over de zin van zijn vriendschap met Abraham. Hij zegt tegen zichzelf: “Zou Ik voor Abraham geheim houden wat Ik van plan ben?” Gods vriendschap is transparant en waarachtig. Het gebed vraagt om dichter bij God te komen en Hem de problemen en de hoop van deze wereld voor te leggen. Het gebed is wegtrekken uit jezelf om anderen aan God voor te leggen. Zo begon Abraham zijn lange pleitbezorging. Als we denken aan dit gebed komen ook vele andere steden en landen in ons op die gewond zijn door de onrechtvaardigheid. Het woord van God van deze zondag wijst ons de weg. Vandaag hebben alle steden een Abraham nodig, een kleine of een grote gemeenschap die voor hen tot de Heer spreekt. De vrienden van God moeten pleiten voor de steden van de mensen. De demonen van het geweld zijn legio, ze zijn verschillend en allemaal dodelijk. Maar de vriendschap tussen de volkeren riskeert zeldzaam te worden. Er is een ware vriendschap nodig, voor de mensen, onze steden en hun vrede. De gelovigen, de vrienden van de mensen en van God, hebben de taak om te pleiten. Hun gebed kan de wereld redden. De Heer luistert ernaar, want Hij is filantroop, vriend van de mensen. De volharding in de vriendschap en het gebed raakt Gods hart. Jezus benadrukt dit met slechts twee voorbeelden uit het dagelijks leven. De vriend die om middernacht aanklopt en de vader die nooit een slang aan zijn kind zal geven wanneer het om een vis vraagt. Hij besluit: “Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen”. Het is een manier om te zeggen dat God een grenzeloze beschikbaarheid heeft om ons gebed tegemoet te komen. De woorden zijn niet beslissend; het hart telt, het vertrouwen en dus de volharding in het gebed. De nutteloosheid van het gebed ligt niet aan God, maar aan ons geringe vertrouwen in Hem. Laten we vragen en ons zal gegeven worden, laten we zoeken en we zullen vinden, laten we aankloppen aan Gods hart zoals Abraham deed, en de Heer zal zijn blik naar ons keren. 

Gebed op de dag des Heren

Zaterdag 27 juli

Ex 24, 3-8. Bevestiging van het verbond

3 Mozes kwam terug en stelde het volk in kennis van alle woorden en bepalingen van de heer. Eenstemmig betuigde het volk: ‘Alle woorden die de heer tot ons gesproken heeft, zullen wij onderhouden.’ 4 Daarop stelde Mozes alle woorden van deheer op schrift. De volgende ochtend bouwde hij aan de voet van de berg een altaar en stelde twaalf wijstenen op, naar de twaalf stammen van Israël. 5 Toen gaf hij jonge Israëlieten de opdracht om stieren op te dragen als brand- en slachtoffers voor de heer. 6 Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, terwijl hij de andere helft uitgoot over het altaar.7 Toen nam hij het Verbondsboek en las dit voor aan het volk. En zij verzekerden: ‘Alles wat de heer zegt, zullen wij doen en ter harte nemen.’ 8 Vervolgens nam Mozes het bloed, sprenkelde dat over het volk en sprak: ‘Dit is het bloed van het verbond dat de heer, op grond van al deze woorden, met u sluit.’

We komen aan het eind van de hoofdstukken die vanaf het 19de hoofdstuk van Exodus het verbond beschrijven dat God met zijn volk sluit. Het verbond is een geschenk van de liefde die God voor Israël voelt. Het antwoord van het volk is luisteren naar het woord van God en het uitvoeren. De tekst legt veel nadruk op de inzet die Israël belooft tegenover God en zijn geboden. “Alle woorden die de Heer tot ons gesproken heeft, zullen wij onderhouden,” zegt het volk twee keer. De tweede keer luidt het: “Alles wat de Heer zegt, zullen wij doen en ter harte nemen”. Eerst Gods gebod uitvoeren en dan luisteren. Hiermee wordt benadrukt dat de gehoorzaamheid aan God op een of andere manier zelfs aan het luisteren voorafgaat. Op dezelfde manier als Jezus aan Petrus zegt dat het niet nodig is om alles te begrijpen voor hij zijn voeten laat wassen: “ Wat Ik doe, daar heb je nu geen begrip van; later zul je het begrijpen” (Joh 13, 7). Als de Heer spreekt, hoef je niet onmiddellijk alles te begrijpen of het eens te zijn met alles wat je hoort. We moeten ons laten leiden door het woord van God en zijn geboden . Door die uit te voeren zullen we begrijpen dat ze een begin van nieuw leven en van redding bevatten. We hebben het op het eerste zicht redelijke verlangen om alles eerst te willen begrijpen, maar daarin zit ook de aanmatiging om met de Heer in de discussie te gaan, in plaats van ons door Hem te laten leiden en verlichten. De tekst beschrijft het verbond: een altaar wordt opgericht, een offer wordt opgedragen, de ritus van het bloed als teken van leven, samen met het lezen van het boek van het verbond. Hierin vinden we ook de zin van ons geloofsleven, waar we door het luisteren naar Gods woord en de deelname aan de eucharistie ons verbond van liefde met de Heer kunnen vernieuwen. 

Gebed op de vigilie

Vrijdag 26 juli

Feest van de heilige Joachim en Anna, grootouders van de Heer. Gedachtenis van alle bejaarden die met liefde hun geloof delen met de jongeren. Gedachtenis van  Maria, psychisch zieke vrouw, die in 1992 in Rome overleed. Tegelijk met haar gedenken we alle psychisch zieke mensen. 

Ex 20, 1-17. De tien geboden zijn het hart van het verbond met God

1Toen sprak God al de woorden die hier volgen. 2 ‘Ik ben deheer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. 3 U zult geen andere goden hebben ten koste van Mij. 4 U zult geen beelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. 5 Buig u niet voor hen neer en bewijs hun geen goddelijke eer, want Ik, de heer uw God, Ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen, tot de derde en vierde generatie. 6 Maar voor hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden ben Ik een God die goedheid bewijst tot aan de duizendste generatie. 7 U zult de naam van deheer uw God niet lichtvaardig gebruiken, want de heer laat degenen die zijn naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft. 8 Denk aan de sabbat; die moet voor u heilig zijn.9 Zes dagen kunt u werken en alle arbeid verrichten. 10 Maar de zevende dag is de sabbat voor de heer uw God. Dan zult u geen enkele arbeid verrichten: uzelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw dieren niet, evenmin als de vreemdeling die bij u woont. 11 Want in zes dagen heeft de heer de hemel, de aarde en de zee en al wat ze bevatten gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt. 12 Eeruw vader en uw moeder. Dan zult u lang leven op de grond die de heer uw God u schenkt. 13 U zult niet doden. 14 U zult geen echtbreuk plegen. 15 U zult niet stelen. 16 U zult niet vals getuigen tegen uw naaste. 17 U zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste; u zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste, niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, op niets wat hem toebehoort.’

De tien geboden vormen het hart van het verbond in de Sinai. Er bestaan twee versies: hetgeen we nu hebben gelezen en het andere dat verteld wordt in het boek Deuteronomium (cf. Dt 5, 6-21) dat vooral verschilt in de motivatie over de sabbat. Beide teksten beginnen met een verklaring die, in de openbaring van wie de Heer is, de grondslag legt voor de gehele wet: “Ik ben de Heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte”. De regels van de wet die daarna volgen, zijn gebaseerd op het geloof in God en de herinnering aan zijn bevrijdend werk. De wet in acht nemen betekent God erkennen als enige Heer, geen afgodsbeelden maken, met de Heer rusten op de sabbat en zijn aanwezigheid in het leven van anderen in al zijn vormen respecteren. De wet betreft niet zozeer de werken die verricht moeten worden, ze gaat vooral over ons hart. De ‘tien geboden’ die door God worden gegeven zijn een hulp om een goed leven te leiden en alle slechtheid ver van ons en de maatschappij te houden. De wet merkt op welk gedrag schadelijk is voor ons eigen en andermans leven. Daarom zijn deze tien geboden op een ontkennende manier opgesteld. Het is belangrijk om wegen te vermijden die gevaarlijk kunnen worden. God gelast ook: “U zult uw zinnen niet zetten…” (17). We kunnen ons afvragen hoe je een verlangen kunt commanderen. En toch is dat het echte geheim van de oude wet van Israël: de zonde in al haar vormen – het vergeten van God, de afgodendienst, het minachten van de ander, het geweld – het begint allemaal altijd in ons hart, het begint met onze zinnen ergens op te zetten. Daarom durft de wet te stellen dat het verlangen beteugeld moet worden, om ons hart te zuiveren en onze gevoelens te veranderen. Deze bladzijde uit de Bijbel vraagt ons om op te passen voor de verlangens en de gevoelens van ons hart.

Gebed van het heilig kruis

Donderdag 25 juli

Feest van de apostel Jakobus, zoon van Zebedeüs. Hij was de eerste van de twaalf die de marteldood onderging. Zijn lichaam wordt in Compostella vereerd. 

Mt 20, 20-28. Jakobus, zoon van Zebedeüs 

Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs bij Hem, samen met haar zonen; ze viel voor Hem op de knieën om Hem iets te vragen. 21 Hij zei tegen haar: ‘Wat wil je?’ Ze antwoordde: ‘Zeg dat deze twee zonen van mij een plaats krijgen in uw koninkrijk, één rechts en één links van U.’ 22Maar Jezus antwoordde: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die Ik zal drinken?’ Ze zeiden Hem: ‘Ja, dat kunnen we.’ 23 Hij zei hun: ‘Mijn beker zullen jullie drinken, maar rechts en links van Mij zitten? Het is niet aan Mij om dat te vergeven. Dat wordt aan diegenen gegeven, voor wie dat door mijn Vader is weggelegd.’ 24 Toen de tien anderen dat hoorden, ergerden zij zich aan de twee broers. 25 Maar Jezus riep hen bij zich en zei: ‘Jullie weten dat de leiders van de volken heerschappij voeren over hen en de grote mannen hun gezag laten gelden. 26 Zo moet het onder jullie niet zijn. Integendeel, wie groot wil worden onder jullie, moet jullie dienaar zijn, 27 en wie onder jullie de eerste wil zijn, moet jullie slaaf zijn. 28 Zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen, en om zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

Jezus heeft Jakobus ontmoet op de oever van het meer van Galilea en heeft hem geroepen om Hem te volgen, samen met zijn broer Johannes. Jakobus – de Meerdere genoemd om hem te onderscheiden van de andere Jakobus – is zijn weg als leerling begonnen door onmiddellijk in te gaan op de uitnodiging van Jezus. Zoals alle anderen begrijpt hij niet steeds het plan van liefde van de Heer met zijn leven. Zoals de anderen geeft ook hij toe aan de bekoring om een baan te vragen, een rol voor zichzelf op te eisen. Leerling zijn is op de eerste plaats een zaak van gehoor geven aan de Meester en niet van zoeken naar eigen privileges. Maar je kan zo snel aan die bekoring van zeggenschap over jezelf bezwijken. Het gebeurt soms op een slinkse manier, zoals wanneer we zogenaamd onszelf willen realiseren. De gebeurtenissen die Matteüs beschrijft, tonen de moeilijkheid waar ieder van ons voor staat als hij de Heer navolgt. De vraag van de moeder van de twee zonen van Zebedeüs om een plaats naast Jezus was niet naïef. De jaloerse reactie van de andere leerlingen laat niet op zich wachten. Vol geduld wijst Jezus hen terecht en blijft tot hen allen spreken. De ontmoeting met de verrezen Jezus en het ontvangen van de heilige Geest in zijn hart maken van Jakobus een getuige van het evangelie, tot in de marteldood. Volgens de traditie is hij de eerste apostel die de marteldood onderging. Jakobus dronk de beker die Jezus dronk. Zijn leven is geworden zoals dat van de Meester, gegeven voor anderen. Dat had de Heer hem gevraagd. En door te gehoorzamen tot het einde maakt Jakobus de zending waar die Jezus hem had toevertrouwd.

Gebed van de twaalf apostelen