Woensdag 19 juni

Gedachtenis van de heilige Romualdus (+1027), abt en vader van de Camaldulenzer monniken.

2 Kor 9, 6-11. Gulheid en vreugde van het geven

6 Bedenk dit: wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten. 7 Laat iedereen geven waartoe hij in zijn hart besloten heeft, zonder tegenzin en zonder dwang, want God houdt van een blijmoedige gever. 8 En God heeft de macht om u met allerlei gaven te overstelpen, zodat u altijd in alle opzichten goed voorzien bent en nog ruimschoots overhoudt voor elk goed werk. 9 Zo staat er ook geschreven: Hij heeft overvloedig gegeven aan de armen, zijn gerechtigheid zal altijd blijven. 10 Hij die de zaaier zaad verschaft en brood geeft als voedsel, Hij zal ook u zaad verschaffen, het vermenigvuldigen en uw gerechtigheid rijke vrucht laten opleveren. 11 Zo bent u van alles rijk voorzien om vrijgevig te kunnen zijn, en door onze bemiddeling wordt uw vrijgevigheid weer reden tot dankzegging aan God.

Met deze verzen eindigt het deel dat de apostel wijdt aan de inzameling voor Jeruzalem. Deze twee hoofdstukken sluit Paulus af door te insisteren dat we overvloedig moeten geven en dat we daar onze vreugde in vinden. Karig geven is een teken dat een hart vol is van zichzelf, bang om iets van zijn bezit te verliezen. Maar daardoor verwijder je je juist van het evangelie. In Deuteronomium staat al: “Geef met milde hand en met een blij gemoed” (Dt 15, 10). En de psalmist die Paulus citeert zegt: “Hij heeft overvloedig gegeven aan de armen, zijn gerechtigheid zal altijd blijven” (9). De overvloed en de vreugde van het geven die de christelijke solidariteit kenmerken, bevrijden ons hart van de slavernij van het bezit en laten het meer lijken op dat van Jezus die “ zich er niet aan heeft willen vastklampen gelijk aan God te zijn. Hij heeft zichzelf ontledigd” (Fil 2, 6-7), zoals Paulus aan de Filippenzen schrijft. De gulheid verrijkt degene die geeft en laat de genade van God opnieuw op hem neerdalen, evenals het gebed van degenen die ontvangen. De kerkvaders waren er allen van overtuigd dat de armen onze bemiddelaars bij God zullen zijn. De aalmoes die we in hun handen leggen, wordt voor ons een schat in de hemel. Wat we aan de armen geven, komt in de hemel in Gods handen terecht. Daarom zegt de apostel dat de inzameling een heilig dienstwerk is dat aan God zelf gedaan wordt. Het is niet slechts een eenvoudige uitdrukking van solidariteit, maar het is ons antwoord op de genade van God die wij allen ontvangen hebben. Jezus heeft gezegd: “Geef, dan zal jullie gegeven worden. Een mooie maat, stevig aangedrukt, goed geschud en overvol zal je in de schoot geworpen worden. Want met de maat waarmee jullie meten, zul je gemeten worden” (Lc 6, 38). We moeten niet bang zijn om overvloedig en vol vreugde te geven, want in het geven vinden we de beloning van Gods genade. De Heer heeft ons zijn gaven niet gegeven opdat we ze voor onszelf houden, maar opdat we ze gul geven, tot vreugde van allen, in het bijzonder van de armen.

Gebed met de heiligen

Advertenties