Dinsdag 18 juni

2 Kor  8, 1-9. Inzameling voor Jeruzalem

1 Broeders en zusters, wij willen u meedelen welke gunst God de gemeenten van Macedonië heeft bewezen. 2 Hoewel ze door verdrukkingen zwaar werden beproefd vloeiden ze over van vreugde, en ondanks hun diepe armoede was hun vrijgevigheid overstelpend. 3 Want zij hebben naar vermogen gegeven; ik durf te zeggen: boven hun vermogen.4 Uit eigen beweging smeekten ze ons heel dringend om de gunst te mogen deelnemen aan de ondersteuning van de heiligen. 5 Zij gaven meer dan wij durfden hopen; zij gaven zichzelf, in de eerste plaats aan de Heer, maar daarna ook, door Gods wil, aan ons. 6 Dientengevolge hebben wij er bij Titus op aangedrongen om dit liefdewerk, waarmee hij bij u al eerder was begonnen, nu ook tot een goed einde te brengen. 7 Welnu, u munt reeds in zo veel opzichten uit, in geloof, welsprekendheid, kennis, in ijver op allerlei gebied, in de liefde die wij in u hebben gewekt; laat dan ook dit liefdewerk uitmuntend slagen! 8 Ik zeg dit niet bij wijze van bevel, maar ik wil aan de ijver van anderen de echtheid van uw liefde toetsen. 9 Want u kent de liefde die onze Heer Jezus Christus u heeft betoond: omwille van u is Hij arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u rijk zou worden door zijn armoede.

Paulus voelt dat hij de moedergemeenschap van Jeruzalem erkentelijkheid verschuldigd is. Die beleefde een bijzonder moeilijke tijd. Als we tweeduizend jaar verder kijken, moeten we een gelijkaardige schuld voelen tegenover het drama dat het land van Jezus doormaakt. Paulus had een inzameling georganiseerd in de gemeenschappen die hij gesticht had en toonde hun op die manier dat er solidariteit moest zijn van de andere gemeenschappen met de gemeenschap van Jeruzalem en die van de apostelen. De christelijke broederlijkheid die naar boven komt in de Handelingen, die het leven van de gemeenschap beschrijven, bestond ook uit de concrete onderlinge hulp. Deelnemen aan de inzameling, zoals dat gebeurde voor de gemeenschappen van Macedonië die arm waren, betekende deel hebben aan een bijzondere genade. Want de liefde voor wie in nood is, verrijkt degenen die geven meer dan degenen die ontvangen. Zoals Jezus dat zelf gezegd had, zoals Paulus doorgaf aan de oudsten van Efeze: “Het is zaliger te geven dan te ontvangen” (Hnd 20, 35). De Macedoniërs hadden de zin van de evangelische liefde begrepen: zij gaven niet slechts hun offergaven, maar – zo zegt Paulus – “zij gaven meer dan wij durfden hopen; zij gaven zichzelf, in de eerste plaats aan de Heer, maar daarna ook, door Gods wil, aan ons” (5). De apostel stelt hen voor als een model van solidariteit. En hij vraagt aan de Korintiërs: “Welnu, u munt reeds in zo veel opzichten uit, in geloof, welsprekendheid, kennis, in ijver op allerlei gebied, in de liefde die wij in u hebben gewekt, laat dan ook dit liefdewerk uitmuntend slagen!” (7). Voor de christenen komt het gebod van de liefde voort uit Jezus’ voorbeeld: “Omwille van u is Hij arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u rijk zou worden door zijn armoede”. De leerlingen moeten naar de Heer kijken opdat deze gaven uitgewisseld worden, zodat niemand behoeftig blijft. Daaruit bestaat de christelijke broederlijkheid: een communie van het geloof die ook op economisch vlak wederzijdse hulp en steun wordt. Zoals de overvloedige prediking die van de kerk van Jeruzalem kwam ook de Korintiërs en de andere gemeenschappen verrijkt had, moet nu de overvloed van materiële goederen de nood lenigen van de gemeenschap van Jeruzalem opdat niemand iets tekort komt en de geschenken door de gratie Gods gelijk verdeeld zijn .

Gebed met Maria, moeder van God

Advertenties