Donderdag 13 juni

2 Kor 3, 15 – 4, 1.3-6 Wij verkondigen niet onszelf, maar Christus de Heer

15 Tot op heden ligt er een sluier over hun hart, telkens wanneer Mozes wordt voorgelezen. 16 Maar telkens als iemand zich bekeert tot de Heer, wordt de sluier verwijderd. 17 Welnu, ‘de Heer’staat hier voor de Geest, en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid. 18 Het is ons, die met onverhuld gelaat de glorie van de Heer als in een spiegel aanschouwen, gegeven om herschapen te worden tot een steeds heerlijker gelijkenis met Hem, door de Geest van de Heer. 1 Daarom geven wij de moed niet op, nu wij door Gods ontferming met deze dienst zijn belast. 3 En als er nog een sluier ligt over het evangelie dat wij verkondigen, dan toch alleen voor hen die verloren gaan, 4 voor de ongelovigen; hun denken is door de god van deze wereld zo verblind, dat zij de glans niet ontwaren van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is. 5 Wij verkondigen immers niet onszelf, maar wij verkondigen Jezus Christus als de Heer en onszelf als uw dienaren omwille van Jezus. 6 Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart om de kennis te laten stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Jezus Christus.

Paulus spreekt opnieuw over het ambt dat hem is toevertrouwd. Hij is zich er goed van bewust dat hij door God is uitverkoren om aan de mensen het evangelie van Jezus Christus te verkondigen. Hij heeft dit ambt dus niet zelf uitgekozen, maar is er uit den hoge toe geroepen. Daarom kan hij onbevreesd de autoriteit van zijn ambt op zich nemen en herinneren aan de vrijmoedigheid waarmee hij dat heeft gedaan, zonder de inhoud te vervalsen of de kracht ervan af te zwakken.  Het is waar dat er in Korinte mensen onwaarachtig zijn. Aan het einde van het derde hoofdstuk heeft Paulus al een toespeling gemaakt op degenen die het woord van God verkwanselen, nu spreekt hij zelfs over een mogelijke vervalsing. Uiteraard volstaat het niet om tot de kerk te behoren of tot de gemeenschap om immuun te zijn voor trots, na-ijver en kritiek. Deze trieste instincten “leggen een sluier” over het evangelie en verhinderen de verkondiging. Paulus stelt dat zijn prediking niet voorbijgaand is zoals de prediking van Mozes nog getekend is door de “sluier” van de wet. Zijn prediking toont het gelaat van Jezus zelf, direct, zonder verhulling. Het gelaat van Jezus toont het gelaat van God zelf. Zo antwoordt Jezus aan Filippus: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Joh 14, 9). Alleen wanneer we onze ogen op Jezus gericht houden, kunnen we het mysterie van God begrijpen en er sterker door worden. En Paulus baseert zijn prediking op de centrale plaats van Jezus in het leven van de gemeenschap: “ Wij verkondigen immers niet onszelf, maar wij verkondigen Jezus Christus als de Heer” (5). Dit ambt is de dienst waartoe de apostel is geroepen. Daarom stelt hij zich aan de Korintiërs voor als hun “dienaar” uit liefde voor Jezus, die luisterrijk aan hem verscheen, zo vol van licht op de weg naar Damascus dat hij er verblind door werd.

Gebed voor de kerk

Advertenties