Vrijdag 7 juni

Hnd 25, 13-21. Paulus en koning Agrippa

12 Na overleg met zijn raadgevers verklaarde Festus toen: ‘Op de keizer heeft u zich beroepen, naar de keizer zult u gaan.’ 13Enkele dagen later kwamen koning Agrippa en Bernice in Caesarea om Festus een beleefdheidsbezoek te brengen. 14Tijdens hun verblijf aldaar, dat verscheidene dagen duurde, legde Festus de zaak Paulus voor aan de koning. ‘Felix heeft hier een gevangene achtergelaten 15 over wie de hogepriesters en de oudsten van de Joden met mij hebben gesproken toen ik in Jeruzalem was. Ze vroegen om zijn veroordeling, maar ik heb hun te verstaan gegeven 16 dat Romeinen niet gewoon zijn iemand uit handen te geven voordat de beschuldigde tegenover zijn beschuldigers heeft gestaan en de gelegenheid heeft gehad zich tegen de aanklacht te verweren. 17 Ze kwamen toen mee hiernaartoe en zonder verder uitstel heb ik me de volgende dag op de rechterstoel gezet en opdracht gegeven de man voor te leiden. 18 Ik had verwacht dat de aanklagers hem zouden beschuldigen van bepaalde misdaden. Maar toen ze om hem heen stonden 19 hadden ze alleen een verschil van mening met hem over hun eigen godsdienst en over een zekere Jezus, een dode van wie Paulus beweerde dat Hij leeft. 20 Omdat ik geen raad weet met het onderzoek naar dit soort kwesties, heb ik gevraagd of hij naar Jeruzalem zou willen gaan om daar in deze zaak terecht te staan. 21 Maar Paulus ging in beroep, zodat hij hangende de beslissing van Zijne Majesteit in hechtenis zou blijven. Daarom heb ik opdracht gegeven hem gevangen te houden totdat ik hem naar de keizer kan zenden.’

Handelingen last hier Paulus’ ontmoeting in met koning Agrippa II en diens zus Bernice, die van Caesarea gekomen zijn om Festus, de landvoogd van Rome, te bezoeken. Festus vat het proces samen voor Agrippa en gaat onmiddellijk naar de kern van het probleem: de beschuldigde beweert dat een zekere Jezus, die door de joden dood gewaand is, nog leeft. Dat is inderdaad exact het middelpunt van de prediking van de apostel, zoals ook blijkt in het geheel van zijn brieven: de dood en de verrijzenis van Jezus vormen het hart van het evangelie dat Paulus verkondigt. Geloven dat Jezus verrezen is uit de doden, betekent geloven dat Hij het kwaad en de eerste vrucht van het kwaad, de dood, overwonnen heeft. Daarom wordt Jezus van Nazaret de “Christus” genoemd, Gods gezant en “Heer”. En telkens als wij zeggen: “onze Heer Jezus Christus”, zeggen we dat Jezus van Nazaret door God de Vader gezonden is op aarde als overwinnaar van zonde en dood. Deze verkondiging is compleet nieuw: met de opstanding van Jezus is het leven van de mensen niet meer opgesloten in een aardse horizon, maar wordt het geopend voor een nieuwe, onvermoede en misschien ondenkbare horizon. Het is het grootste geschenk dat God aan de mensheid had kunnen geven. Zozeer dat de kerk in de paasnacht zingt: “Gelukkig de fout waardoor Adam de komst van de Redder mogelijk gemaakt heeft”. Om deze hoop te verkondigen heeft Paulus alle soorten moeilijkheden en gevaren getrotseerd en nu ook dit lange proces. Hij bevindt zich in de schare van die eerste leerlingen die hun leven gegeven hebben om te getuigen van de verrijzenis van de Heer. Vele anderen zijn door de eeuwen heen deze weg gevolgd. En ook dit millennium is al op een bijzondere wijze getekend door een nieuwe menigte christelijke martelaren. Deze broers en zussen gaan ons voor en tonen ons dat de liefde van Christus kostbaar en sterk is en dat ze ons ertoe brengt om ons leven te geven voor de Heer en voor onze broers en zussen.

Gebed van het heilig kruis

Advertenties