Donderdag 6 juni

Hnd 22, 30; 23, 6-11. Voor het Sanhedrin

De volgende dag liet hij Paulus uit de gevangenis halen en gaf hij de hogepriesters en het gehele Sanhedrin opdracht om bij elkaar te komen, want hij wilde te weten komen waarvan hij nu precies door de Joden werd beschuldigd. Vervolgens bracht hij Paulus naar hen toe en zette hij hem tegenover hen.

6 Omdat Paulus wist dat er in het Sanhedrin een sadduceese en een farizeese fractie was, riep hij uit: ‘Broeders, ik ben een farizeeër, uit een geslacht van farizeeën. Ik sta terecht omdat ik hoop op de opstanding van de doden.’ 7 Hij had dat nog niet gezegd of er ontstond twist onder de farizeeën en sadduceeën, en de vergadering raakte verdeeld. 8 Sadduceeën zeggen immers dat er geen opstanding is, en er geen engelen en geesten bestaan, maar farizeeën erkennen zowel het een als het ander. 9 Er ontstond groot tumult, en een aantal schriftgeleerden van de farizeese fractie stond op en protesteerde heftig: ‘We kunnen niets verkeerds vinden in deze man. Stel, er heeft een geest tot hem gesproken of een engel … ’ 10 De twist liep zo hoog op dat de tribunus vreesde dat ze Paulus uit elkaar zouden trekken. Hij liet daarom zijn manschappen komen om hem tussen hen uit te halen en naar de kazerne te brengen. 11Die nacht kwam de Heer bij hem en zei: ‘Houd moed! Zoals je van Mij hebt getuigd ten overstaan van Jeruzalem, zo moet je ook in Rome getuigen.’

Paulus, ontdaan van zijn kettingen, wordt voor het Sanhedrin gebracht om zijn schuld uit te klaren. De apostel “liet zijn blik over het Sanhedrin gaan” en, zeker van de hulp van de Heer, spreekt hij tot de aanwezigen en noemt hen “broeders”. Paulus wil bewijzen dat hij een echte jood is en dat de christenen de echte erfgenamen zijn van het jodendom. Hij probeert om een samenvatting te geven van wat hij al gezegd heeft in zijn apologie (22, 1-21) en onderstreept dat hij met een volkomen “zuiver geweten voor God” geleefd heeft. De hogepriester vindt dit antwoord brutaal en geeft de opdracht om Paulus op de mond te slaan. Zo herhaalt hij bijna letterlijk de scène van Jezus’ proces. Paulus, die de verschillen tussen sadduceeën en farizeeën van binnenuit kent, speelt hen tegen elkaar uit, met een beroep op zijn geloof in de opstanding van de doden. Zijn argumentatie brengt tumult teweeg tussen de verschillende fracties, tot een van de aanwezigen het opneemt voor de apostel met woorden die ook van Jezus gezegd werden: “We kunnen niets verkeerds vinden in deze man”. Omdat de onenigheid nog erger wordt, vindt de tribunus het beter om Paulus naar de kazerne over te brengen uit vrees dat ze hem zullen lynchen. ’s Nacht komt de Heer bij Paulus om hem te zenden om het evangelie te verkondigen tot in Rome: “Houd moed! Zoals je van Mij hebt getuigd ten overstaan van Jeruzalem, zo moet je ook in Rome getuigen”. De weg van Paulus is nu duidelijk uitgestippeld: “Je moet,” zegt Jezus hem, het evangelie verkondigen in Rome. De joden blijven intussen onder elkaar redetwisten, als gevangenen van hun discussies, terwijl de apostel de aanwijzing van de Heer krijgt voor de toekomst die hem wacht: van Jeruzalem naar Rome gaan. Het is een kostbare aanwijzing voor wie het gevaar loopt om te blijven stilstaan bij interne discussies en de gehoorzaamheid aan het steeds nieuwe woord van de Heer uit het oog verliest.

Gebed voor de kerk

Advertenties