Woensdag 5 juni

Gedachtenis van de heilige Bonifatius, bisschop en martelaar. Hij verkondigde het evangelie in Duitsland en werd op missionaire reis in Friesland vermoord (+ 754). De moslims vieren het einde van de vastenmaand Ramadan (Eid al-Fitr).

Hnd 20, 28-38. Paulus vertrouwt het woord van God toe aan de oudsten van Efeze

28 Zorg goed voor uzelf en voor heel de kudde waarover de heilige Geest u als leiders heeft aangesteld om de kerk van God te weiden, die Hij door het bloed van zijn eigen Zoon heeft verworven. 29 Ik weet dat na mijn vertrek gevaarlijke wolven bij u zullen binnendringen die de kudde niet sparen; 30 zelfs mensen uit uw eigen kring zullen de waarheid gaan verdraaien om de leerlingen achter zich aan te krijgen. 31 Wees daarom op uw hoede en houd in gedachten dat ik drie jaar lang dag en nacht onophoudelijk iedereen onder tranen gewaarschuwd heb. 32 En nu draag ik u op aan God en aan het woord van zijn genade, dat bij machte is om op te bouwen en het erfdeel te geven, met alle geheiligden. 33 Zilver of goud of kleding heb ik van niemand verlangd; 34 u weet zelf dat deze handen in mijn eigen behoeften en die van mijn metgezellen hebben voorzien. 35 In alles heb ik u laten zien dat men zo, door hard te werken, de zwakken moet helpen, gedachtig de woorden van de Heer Jezus, die zelf heeft gezegd: “Het is zaliger te geven dan te ontvangen.” ’ 36 Na deze woorden knielde hij met hen allen neer en sprak een gebed. 37 Ze begonnen allen luid te snikken, vielen Paulus om de hals en kusten hem, 38 vooral bedroefd omdat hij gezegd had dat ze hem niet meer terug zouden zien. Daarna deden ze hem uitgeleide naar het schip.

Na te hebben gesproken over zijn eigen dienst, spoort Paulus nu, in het tweede deel van zijn toespraak, de oudsten van Efeze aan om te waken over zichzelf, zonder zich te sparen. Hij brengt hun in herinnering: “dat ik drie jaar lang dag en nacht onophoudelijk iedereen onder tranen gewaarschuwd heb” (31). Hij weet dat het leven, ook dat van de herders, waakzaamheid vereist en vooral de hulp van de Heer. Daarom zegt hij hen: “En nu draag ik u op aan God en aan het woord van zijn genade”. Meer dan dat de apostel het woord toevertrouwt aan de dienaars, vertrouwt hij de dienaars toe aan God en aan diens woord. Het is God die met zijn woord het geloof van de leerlingen beschermt en werkzaam maakt. Daarzonder zou het leeg en betekenisloos zijn. De Heer en zijn woord behoeden, beschermen, zegenen en begeleiden de leerlingen en doen hen leven. Zonder het evangelie is de kerk niets en zonder het evangelie hebben wij ook niets mee te delen. Aan het einde van zijn toespraak herinnert de apostel zijn toehoorders aan zijn persoonlijke verhouding met de armen van Efeze: hij heeft hen persoonlijk geholpen met het werk van zijn handen. Hij heeft nooit rijkdom voor zichzelf gewenst, maar hij heeft in zijn eigen onderhoud voorzien met het werk van zijn handen. Daarna bevestigt hij nog eens de plicht voor de christenen om “de zwakken te helpen”. Voor het eerst in het Nieuwe Testament is hier sprake over “zwakken” (asténos: zonder kracht, zonder sterkte) om de armen in het algemeen aan te duiden. Handelingen vat hiermee heel de leer van de barmhartigheid samen: “helpen” betekent ‘zorgen voor’, zich persoonlijk verantwoordelijk voelen voor de zwaksten. En hier wordt de zaligspreking van Jezus, die de apostel hier citeert, waarheid: “Het is zaliger te geven dan te ontvangen”. Met het Griekse woord makàrion (zalig) verbindt Paulus dit gezegde met de evangelische zaligsprekingen. De letterlijke vertaling klinkt zo: “Zalig wie geeft, niet wie ontvangt”. We zouden dan deze zin met die andere zin van het evangelie kunnen verbinden: “Geef, dan zal jullie gegeven worden” (Lc 6, 38). De Didaché herneemt deze leer als het zegt “Geef aan wie je vraagt en reken niet op teruggave. Want de Vader wil dat zijn gaven aan iedereen gegeven worden. Zalig hij die geeft, volgens het gebod, want hij is onberispelijk”.

Gebed met de heiligen

Advertenties