Dinsdag 4 juni

Hnd 20, 17-27. Afscheid van de oudsten van Efeze

17 Van Milete uit stuurde hij een bode naar Efeze om de oudsten van de gemeente bijeen te roepen. 18 Toen die bij hem gekomen waren, zei hij tegen hen: ‘U weet hoe ik mij heb gedragen vanaf de eerste dag dat ik in Asia kwam, de hele tijd dat ik bij u was: 19 ik heb de Heer in alle nederigheid gediend, onder tranen en beproevingen die de Joden mij door hun aanslagen hebben bezorgd. 20 U weet ook dat ik niets wat nuttig kon zijn heb nagelaten u te verkondigen en te leren, in het openbaar en bij u aan huis: 21 tegenover Joden en Grieken heb ik getuigd van de bekering tot God en van het geloof in onze Heer Jezus.22 Welnu, thans ben ik, gebonden door de Geest, op weg naar Jeruzalem, zonder te weten wat mij daar zal overkomen; 23alleen verzekert de heilige Geest mij van stad tot stad dat mij boeien en ellende te wachten staan. 24 Maar aan mijn leven hecht ik voor mijzelf niet de minste waarde, als ik mijn loopbaan maar kan voltooien en de taak kan vervullen die ik van de Heer Jezus ontvangen heb: de verkondiging van de goede boodschap van Gods genade. 25 Welnu, ik weet dat niemand van u die ik op mijn reizen het koninkrijk gepredikt heb, mij terug zal zien. 26 Daarom betuig ik vandaag tegenover u dat ik geen schuld heb aan het bloedvan wie dan ook; 27 want ik heb niet nagelaten u het plan van God in zijn geheel te verkondigen.

In Milete laat Paulus de oudsten van de gemeente van Efeze bijeen roepen om hen te groeten vóór zijn afreis. Hij wil van de verantwoordelijken van Efeze afscheid nemen met bijzondere woorden. In het eerste deel van zijn afscheidsrede, dat we vandaag horen, herinnert de apostel aan het voorbeeld dat hij met zijn eigen gedrag heeft gegeven gedurende de drie jaren dat hij bij hen heeft geleefd: “U weet hoe ik mij heb gedragen … de hele tijd dat ik bij u was” (18). De apostel is er zich van bewust dat de herders een voorbeeld moeten zijn voor de kudde (cf. v. 28). Petrus schrijft in zijn eerste brief: “Zorg voor de kudden van God waarvan u de herders bent; hoed ze zoals God het wil: niet uit dwang, maar vrijwillig, niet uit winstbejag, maar met toewijding. Speel niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, maar wees een voorbeeld voor de kudde” (1 Pe 5, 2-3). Paulus wil niet zichzelf prijzen, maar onderstrepen dat herders zich voorbeeldig moeten gedragen in de gemeenschap van de leerlingen. En hij benadrukt dat herder zijn dienen betekent: “Ik heb de Heer in alle nederigheid gediend, onder tranen en beproevingen”. Een herder wijdt heel zijn leven aan de dienst van de Heer en van de gemeenschap. Dan vertrouwt Paulus de oudsten toe dat hij naar Jeruzalem zal gaan, niet omdat hij dat zo in zijn hoofd kreeg, maar “gebonden door de Geest”. Hij weet niet goed wat hem te wachten staat, maar hij is er zich van bewust dat hij tegenstand en beproevingen zal ondervinden: hij spreekt van “ellende” en maakt ook een toespeling op zijn dood. Het martelaarschap is eigen aan de dienst van het evangelie. Albert Schweitzer, de gekende protestantse Bijbeldeskundige, die in Afrika in een leprozerie ging leven, schreef: “We moeten er opnieuw in slagen om de heldhaftigheid in Jezus te ontdekken. Alleen dan zullen ons christendom en onze wereldvisie het heroïsme terugvinden en zullen ze erdoor bezield worden”. “Martelaar zijn,” zei Mgr. Romero, betekent “ons eigen leven geven” voor de Heer en voor de armen, of het nu met ons bloed is of op een andere manier. Het enige wat telt, is dat we ons volledig geven om het evangelie te delen tot aan de uiteinde van de aarde.

Gebed met Maria, moeder van God

Advertenties