Vrijdag 31 mei

Feest van het bezoek van Maria aan Elisabet.

Lc 1,39-56. Het bezoek

Na enkele dagen vertrok Maria met spoed naar het bergland, naar een stad van Juda. 40 Zij ging het huis van Zacharias binnen, en begroette Elisabet. 41 Meteen toen Elisabet de begroeting van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Elisabet werd vervuld met heilige Geest. 42 Ze riep met luide stem: ‘Gezegend ben jij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot. 43 Waar heb ik het aan te danken dat de moeder van mijn Heer bij mij komt? 44 Op het moment dat je groet mij in de oren klonk, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot. 45 Gelukkige vrouw, zij die gelooft! Wat haar namens de Heer is gezegd, zal in vervulling gaan.’ 46 Daarop zei Maria: 46 ‘Met heel mijn hart roem ik de Heer, 
47 met al mijn adem juich ik om God, mijn redder; 
48 want Hij heeft omgezien naar zijn dienares in haar geringheid. 
Voortaan prijzen alle generaties mij gelukkig, 
49 want grote dingen heeft de Machtige met mij gedaan. 
Heilig is zijn naam, 
50 barmhartig is Hij, iedere generatie weer, 
voor wie Hem eerbiedigen. 
51 Hij heeft de kracht van zijn arm getoond, 
wie zich verheven waanden, heeft Hij uiteengeslagen. 
52 Machthebbers heeft Hij van hun troon gehaald, 
geringen gaf Hij een hoge plaats. 
53 Hongerigen overlaadde Hij met het beste, 
rijken heeft Hij met lege handen weggestuurd. 
54 Hij heeft het opgenomen voor Israël, zijn knecht, 
indachtig de barmhartigheid die Hij, 
55 zoals aan onze vaderen toegezegd, 
bewijzen wil aan Abraham en zijn nageslacht, voor eeuwig.’ 
56 Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar; toen keerde ze naar huis terug.

De Katholieke en Anglicaanse kerk gedenken vandaag het bezoek van Maria aan Elisabet. Het evangelie van vandaag kondigt deze gebeurtenis aan. Nadat Maria van de engel vernomen heeft dat Elisabet zwanger is, reist ze met spoed naar haar toe. “Met spoed,” schrijft Lucas. Het evangelie doet ons haast hebben, en ons uit onze gewoonten, zorgen en gedachten uittreden. En hoeveel gedachten zijn Maria toen door het hoofd gegaan, toen het woord van God haar leven helemaal ondersteboven gooide! Het evangelie doet ons boven onszelf uitstijgen en spoort ons aan om wie lijdt en ook wie in nood is bij te staan, zoals Elisabet die wegens haar ouderdom een moeilijke zwangerschap doormaakt. Van zodra ze de jonge Maria ziet binnenkomen, verheugt ze zich tot in haar diepste binnenste. Het is de vreugde van de zwakken en van de armen die ervaren dat ze bezocht worden door de “dienaressen” en de “dienaren” van de Heer, door hen die geloofd hebben in “de vervulling van wat de namens de Heer is gezegd”. Als het woord van God met geloof onthaald wordt, brengt het een nieuw verbond met de wereld teweeg, een bijzonder verbond tussen de leerlingen van het evangelie en de armen. Maria is de eerste onder de gelovigen geworden. Vanaf het begin kent zij de gelukzaligheid van wie naar het woord van God luistert. Het is de eerste zaligheid van het evangelie volgens Lucas: “Gelukkige vrouw, zij die gelooft! Wat haar namens de Heer is gezegd, zal in vervulling gaan”. Het geluk van Maria, de eerste leerling van het evangelie, komt tot uitdrukking in het Magnificat. Het is het vreugdelied van een arm meisje uit een verloren dorp in de periferie van het keizerrijk, dat ondervonden heeft dat de Heer van hemel en aarde naar haar, zijn nederige dienares, heeft omgezien. Maria vindt zich die waardering niet waard, anders dan wij die gewoon zijn om waardering voor ons op te eisen. Ze weet dat alles van God komt en dat God haar grootheid is en haar kracht. Dezelfde God, die Israël bevrijd heeft, die de armen heeft beschermd, de hoogmoedigen vernederd en de hongerigen met gaven overladen, heeft zich over haar gebogen en Hij heeft haar liefgehad. En zij heeft Hem in haar hart ontvangen. Van die dag af is God, door haar, onder de mensen komen wonen.

Gebed met Maria, moeder van God

Advertenties

Donderdag 30 mei

Hemelvaart van de Heer

Hnd 1, 1-11; Ps 46; Heb 9, 24-28;10, 19-23; Lc 24, 46-53

“Galileeërs, wat staan jullie daar toch naar de hemel te kijken?”. Het woord van God nodigt ons uit om naar Jezus te kijken, niet naar onze hemel. Het feest van Hemelvaart vertelt ons dat de hemel niet langer leeg is, maar dat het de plaats is geworden van waaruit we de terugkeer van Jezus mogen verwachten: Hij “zal op dezelfde manier terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan”. Hopen betekent geloven dat Hij weliswaar “aan hun ogen is onttrokken” maar dat Hij leeft en zal terugkeren. Als Jezus niet langer onder ons is, betekent dit niet dat Hij in het niets is opgelost. Integendeel, zijn aanwezigheid heeft zich uitgebreid: Hij is bij ons en ook bij de hele wereld. In plaats van weg te gaan van de wereld, is Hij ontsnapt aan een beperkte manier van zijn onder de mensen. Hij heeft zich onttrokken uit ons bezit, uit onze enge hemel. Je kunt zoals de apostelen je ogen oprichten zonder iets te zien, omdat je alleen ziet wat je wilt zien: zoveel bevestigingen voor de droevige gevoelens die in ieders hart zijn. De boodschap van Hemelvaart is een andere. De engel nodigt ons uit om Jezus te volgen die zich overal in de wereld toont of, anders gezegd, om Hem overal in de wereld, in elke stad ter wereld, aanwezig te brengen, overal waar een glimp van de hemel is. Dat is het missionaire perspectief waarin elke leerling van Jezus zich betrokken mag weten. De hemel waar we naar moeten kijken is die van de hele mensheid. De Heer nodigt ons uit om “op te stijgen” – dat wil zeggen, om te gaan – naar de uiteinden van de aarde. En Hij zal altijd bij ons zijn. Het is onontbeerlijk om je eigen kleine hemel achter te laten en de universele dimensie te omhelzen die eigen is aan het evangelie. Voor te veel mensen is de hemel gesloten vanwege onverschilligheid en boosaardigheid die zijn als donkere wolken die de horizon afsluiten en verduisteren. Zoveel mensen zien nooit iemand in witte gewaden verschijnen die hun aankondigt dat “Jezus zal terugkomen”. We zien ze niet, omdat we de Mensenzoon niet zien die ten hemel is opgestegen, maar ze zijn er. Het zijn zij die buiten ons land wonen, buiten onze stad, buiten onze staten, buiten ons continent; het zijn de immense menigten in de periferieën van onze steden, die overgeleverd zijn aan onverschilligheid. Ze spreken soms onze taal, maar vaak is de kleur van hun huid anders. Maar Jezus is naar de hemel opgestegen voor iedereen, ook voor hen, zodat zij deel kunnen uitmaken van die familie van God waarvan we kinderen zijn door genade. Het feest van Jezus’ hemelvaart betekent dat er niet langer vele hemelen zijn, maar slechts één hemel, die van God, die alle mensen verzamelt om één enkele familie te vormen.

Gebed op de dag des Heren

Woensdag 29 mei

Hnd 17, 15.22 – 18, 1. Paulus spreekt op de Areopagus

15 Paulus werd naar Athene gebracht; daarna keerden zijn begeleiders terug met de opdracht aan Silas en Timoteüs om zich zo spoedig mogelijk bij hem te voegen. 22 Paulus ging in het midden van de Areopagus staan en zei: ‘Atheners, aan alles zie ik dat u buitengewoon godsdienstig bent. 23 Toen ik rondliep en uw heiligdommen bezichtigde, trof ik ook een altaar aan met het opschrift: Aan de onbekende god. Welnu, wat u zonder het te kennen vereert, dat kom ik u verkondigen. 24 De God die de wereld gemaakt heeft en alles wat die bevat, de Heer van hemel en aarde, woont niet in tempels die door mensenhanden gemaakt zijn. 25 Ook laat Hij zich niet door mensenhanden bedienen, alsof Hij iets nodig had, want zelf geeft Hij aan allen leven en adem en alles. 26 Uit één mens heeft Hij heel het mensenvolk gemaakt om overal op aarde te wonen. Hij heeft bepaalde tijden vastgesteld en hun woongebieden afgegrensd, 27 met de bedoeling dat ze God zouden zoeken en Hem wellicht tastenderwijs zouden vinden; Hij is immers niet ver van ieder van ons. 28 Want door Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij; zoals ook enkele van uw dichters hebben gezegd: 28 Wij zijn van goddelijke afkomst. 29 Als we dus van goddelijke afkomst zijn, moeten we niet denken dat het goddelijke overeenkomt met goud, zilver of steen, met produkten van menselijk ambacht en menselijke verbeelding. 30 Zonder te letten op die tijden van onwetendheid zegt God nu de mensen aan dat ze zich moeten bekeren, allemaal en overal. 31 Want Hij heeft een dag vastgesteld waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen. Daar heeft Hij iemand voor aangewezen, en Hij heeft dit voor iedereen geloofwaardig gemaakt door Hem uit de doden te laten opstaan.’ 32 Toen zij hoorden over opstanding van de doden, dreven sommigen daar de spot mee, maar anderen zeiden: ‘Daarover willen wij u nog wel eens horen.’ 33 Zo vertrok Paulus uit hun midden. 34 Toch sloten enkele mensen zich bij hem aan en kwamen tot geloof. Onder hen bevonden zich ook Dionysius de Areopagiet, een vrouw die Damaris heette, en nog anderen. 1Hierna verliet hij Athene en ging hij naar Korinte.

Toen de apostel Paulus in Athene kwam, was deze stad niet meer de welvarende stad van in de tijd van Plato, maar toch nog altijd een grote hoofdstad. Eenmaal in de stad aangekomen gaat Paulus niet onmiddellijk de confrontatie met de inwoners van Athene aan. Hij verkiest om zich in de menigte van de agora en de markt te mengen om zo de gevoeligheid van de bewoners te kunnen begrijpen. Dat is een heel delicate uitdaging en Paulus is er zich van bewust. Daarom wil hij van binnenin de cultuur, de gewoonten, de gevoeligheid en het leven van de Atheners begrijpen. Paulus heeft een duidelijke vraag in gedachten: zou Jeruzalem Athene kunnen veroveren? Zou het evangelie de cultuur van de Areopagus kunnen bevruchten? Dat is dezelfde vraag die we ons nog vandaag de dag voortdurend stellen ten overstaan van de vele Areopagi in deze wereld, ten overstaan van de vele culturen op deze planeet die het hart en het verstand van vele mensen bepalen. De durf van Paulus, die zich aandient bij de wijzen van Athene, toont ons dat geen enkele Areopagus ontoegankelijk is voor de verkondiging, geen enkele cultuur vreemd voor het evangelie. Integendeel, de Areopagi van vandaag wachten op leerlingen die erin slagen om met wijsheid de redding mee te delen die van Jezus komt. Dat is de grote uitdaging waaraan we ons niet mogen onttrekken, in het besef dat alleen het evangelie de wereld waarin we leven menselijker maakt.Paulus begint zijn toespraak geïnspireerd door een heidens altaar voor de onbekende god dat hij had opgemerkt tijdens zijn bezoek aan de stad. De apostel beweert de naam van die God te zijn komen aankondigen. Die onbekende god gaat de eenvoudige rede ver te boven. Er was en er is een discontinuïteit tussen het evangelie en de culturen. Die discontinuïteit is het schandaal van het kruis en het geschenk van de opstanding. Aan de Korintiërs zal hij schrijven – al of niet ten gevolge van zijn ervaring in Athene: “Toen ik u het geheim van God kwam verkondigen, deed ik dat niet met vertoon van welsprekendheid of geleerdheid. Ik had mij voorgenomen u niets anders bij te brengen dan Jezus Christus, die gekruisigde. Bovendien voelde ik mij toen zwak, onzeker en angstig. Het woord dat ik u verkondigde, overtuigde niet door geleerde woorden, maar het getuigde van de kracht van de Geest” (1 Kor 2, 1-4). De kern van de christelijke verkondiging, namelijk de opstanding van Jezus uit de dood, is een buitengewone en onverwachte gave die de Heer de mensheid heeft gegeven, voorbij – hoewel niet tegen – de verwachting van de rede. Wellicht hoopte de apostel dat deze geleerden het mysterie van de opstanding van het vlees zouden aannemen. Met zijn toespraak had hij hen op de drempel gebracht. Maar precies op dat ogenblik onderbreken de Atheners hem en zeggen: “Daarover willen wij u nog wel eens horen”. Groot is de teleurstelling van Paulus, maar misschien herinnerde hij zich de woorden van Jezus: “Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U dit verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en het onthuld hebt aan eenvoudigen” (Mt 11, 25).

Gebed met de heiligen

Dinsdag 28 mei

Gedachtenis van de heiligen Addai en Mari, stichters van de Chaldeeuwse kerk.
Gebed voor de christenen in Irak.

Hnd 16, 22-34. Bekering van de cipier

Ook het volk keerde zich tegen hen en de pretoren rukten hun de kleren van het lijf en lieten hen met stokken afranselen. 23 Toen men hun een flink aantal slagen had toegediend, zetten ze hen in de gevangenis, en ze gaven de cipier het bevel om hen streng te bewaken. 24 Op dit bevel zette hij hen in de binnenste kerker en sloot hun voeten in het blok. 25 Rond middernacht zongen Paulus en Silas hun gebeden voor God, terwijl de gevangenen toeluisterden. 26 Plotseling deed zich een zo zware aardschok voor dat de fundamenten van de gevangenis schudden. Meteen gingen alle deuren open en sprongen bij iedereen de boeien los. 27 De cipier schoot wakker en toen hij de deuren van de gevangenis open zag staan, trok hij zijn zwaard en wilde hij zelfmoord plegen, omdat hij dacht dat de gevangenen ontsnapt waren. 28 Maar Paulus schreeuwde: ‘Doe uzelf geen kwaad, we zijn er nog allemaal!’ 29 Hij vroeg om licht, rende naar binnen en viel bevend voor Paulus en Silas neer; 30 daarop ging hij met hen naar buiten en zei: ‘Heren, wat moet ik doen om gered te worden?’ 31 Zij antwoordden: ‘Geloof in de Heer Jezus; dan zult u gered worden, u en al uw huisgenoten.’ 32 En ze verkondigden het woord van de Heer aan hem en aan al zijn huisgenoten. 33 Nog op dat uur van de nacht nam hij hen mee om hun wonden te wassen. Meteen daarna liet hij zich met al de zijnen dopen. 34 Hij nam hen mee naar zijn woning en zette hun een maaltijd voor; met al zijn huisgenoten verheugde hij zich omdat hij nu in God geloofde. 

In de eerste tijden van het christendom duikt de gevangenis geregeld op. Telkens wanneer de vijanden van het evangelie de verkondiging de mond willen snoeren, zetten ze de leerlingen van Jezus gevangen. Het lijkt alsof er een bijzondere band bestaat tussen het evangelie en de gevangenis. En misschien is het ook daarom dat Jezus in het evangelie volgens Matteüs iedereen, en niet alleen zijn leerlingen, oproept om de gevangenen te bezoeken. In de eerste decennia kwamen christenen geregeld in de gevangenis. Maar zo is het ook nadien gebleven, en op massale manier onder de totalitaire regimes van de twintigste eeuw, met hun goelags en uitroeiingkampen. Het is daarom meer dan ooit van groot belang dat de christenen in onze tijd zich inzetten om troost te brengen in de gevangenissen, vooral daar waar het leven onmenselijk is. Paulus en Silas hadden een “aardschok” teweeggebracht, niet alleen doordat de muren schudden en hun kettingen braken, maar ook in het hart van de cipier en van zijn hele familie die zich bekeerden tot het evangelie. De liefde verandert ook wat onmogelijk lijkt. En telkens als we het evangelie in praktijk brengen, zijn we allen getuigen van mirakels die voordien onvoorstelbaar waren. Deze gebeurtenis, in de context van het binnendringen van het evangelie in de ‘wereld van de volkeren’, herneemt wat er met Jezus gebeurd was: het evangelie botst altijd op weerstand, maar zal er ook altijd in slagen om vruchten van bevrijding voort te brengen. Het christendom vraagt altijd een strijd, en vooral een innerlijke strijd. Het is een strijd die begint in het hart van ieder van ons, omdat de verandering van de wereld begint bij de verandering van ons hart. In het hart wordt immers eerst de strijd uitgevochten tussen onze hoogmoed en het evangelie, tussen onze liefde voor onszelf en de liefde voor de anderen. Van daar vertrekt dus de verandering van de wereld. Telkens als we het evangelie in ons hart laten overwinnen, zien we onmiddellijk de vruchten bij hen die ons omringen. De ervaring van Paulus en Silas met de cipier en zijn familie kan ook die van ieder van ons zijn.

Gebed met Maria, moeder van God

Maandag 27 mei

Gedachtenis van Augustinus van Canterbury (+ 605 ca.), bisschop en kerkvader van de Engelse kerk.

Hnd 16, 11-15. Bevrijding uit de gevangenis

Zo voeren we weg uit Troas en koersten regelrecht naar Samotrake en de volgende dag naar Neapolis. 12 Vandaar gingen we naar Filippi, een belangrijke stad in dat deel van Macedonië, een Romeinse kolonie. In die stad bleven we enkele dagen. 13 Op de sabbat gingen we de poort uit naar de rivier waar, dachten wij, de gebedsplaats was. We gingen er zitten en spraken de vrouwen toe die daar samengekomen waren. 14 Er zat ook een vrouw te luisteren die Lydia heette, een godvrezende vrouw uit de stad Tyatira, die in purper deed. De Heer opende haar hart, zodat ze in de ban raakte van Paulus’ woorden. 15 Toen zij zich met haar huisgenoten had laten dopen, nodigde ze ons uit: ‘Als u mij beschouwt als iemand die in de Heer gelooft, neem dan ook uw intrek bij mij.’ En zij drong er bij ons sterk op aan.

De apostel Paulus komt aan in Europa, gedreven door de Geest. Europa wachtte als het ware op de verkondiging van het evangelie, het had er nood aan, zo hoorden we in de kreet van de Macedoniër. In Rome leefden er al volgelingen van Jezus, waarschijnlijk van joodse afkomst, zoals blijkt uit het Pinksterverhaal. Maar Paulus’ reis heeft een symbolische waarde in de context van zijn zending. Filippi is de eerste etappe van de reis van het woord van God naar Rome, door het werk van Paulus. De stad ontleent haar naam aan de vader van Alexander de Grote en was een Romeinse kolonie. Misschien juist daarom heeft Paulus gedacht om van deze stad zijn eerste etappe te maken. De tekst vervolgt met een “wij”, wat suggereert dat de schrijver zich aangesloten heeft bij de zending van de apostel en Silas. Een groep vrouwen, onder leiding van Lydia, die stoffen verkocht, ontvangt Paulus. Nadat ze naar hem geluisterd heeft, bekeert de godvrezende Lydia zich en vraagt om gedoopt te worden. Het gaat slechts om één persoon, maar het verhaal blijft er bij stilstaan en onderstreept deze episode. Want de prediking van het evangelie is niet zozeer afhankelijk van het aantal leden. Het evangelie wil het hart van iedere persoon veranderen. De christelijke broederlijkheid ontstaat dankzij het individu dat zich bekeert. De apostolische prediking brengt een verandering teweeg in het hart van de mensen en verbindt ze met elkaar in een broederlijke band. Het feit dat Lydia erop aandringt om Paulus en zijn vrienden te herbergen is in die zin een vrucht van de bekering tot het evangelie. Je bekeert je niet tot Jezus voor jezelf of voor je zelfontplooiing. De bekering doet je uit jezelf treden om je te verenigen met de broers en zussen en zo samen het enige volk van God te vormen, waaraan de Heer de opdracht toevertrouwt om met woorden en daden de omvang van zijn liefde te verkondigen.

Gebed voor de armen

Zondag 26 mei

6de zondag van Pasen
Gedachtenis van de heilige Filippus Neri (+ 1595), “apostel van Rome”.

Hnd 15, 1-2.22-29: Ps 67; Apk 21, 10-14.22-23; Joh 14, 23-29

Terwijl het feest van Pinksteren dichterbij komt, voert de liturgie ons terug naar het laatste avondmaal en biedt ons een fragment uit de lange toespraak van Jezus aan zijn leerlingen aan. Deze verzen van het 14de hoofdstuk van het evangelie volgens Johannes zijn een deel van het gesprek van Jezus, waar Hij het geloof en de liefde van de eerste gemeenschap aanmoedigt met de belofte van de Geest. Het eerste cruciale punt dat Jezus aanhaalt, is de liefde van de leerlingen voor Hem. Jezus’ uitspraak is heel duidelijk: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord ter harte nemen; dan zal mijn Vader hem liefhebben en We zullen bij hem ons verblijf gaan houden” (23). Om God te ontmoeten hebben we geen mirakels nodig, ook geen buitengewone visioenen en zelfs geen nieuwe openbaringen. Jezus legt een strikt verband tussen de liefde voor Hem en het onderhouden van zijn woord. Wie het evangelie in praktijk brengt, bemint Jezus. Jezus voegt eraan toe: “Het woord dat jullie horen, is echter niet mijn woord, maar dat van de Vader die Mij gezonden heeft” (24). Het evangelie is het woord van God. En dat is ons genoeg. Iemand zou kunnen aanvoeren dat we er nu al 2000 jaar naar luisteren en dat er nog maar weinig tot niets veranderd is. En dat we dus nieuwe woorden nodig hebben en een nieuwe aangepaste organisatie en zo meer. De Russisch-orthodoxe priester Mjen, die werd vermoord in het begin van de jaren negentig van de 20ste eeuw in Zagorsk, zei met veel wijsheid: “Denk maar niet dat het evangelie al alles gezegd heeft, want we zijn nu pas die woorden een beetje beginnen te begrijpen”. We beginnen nu pas het evangelie langzaamaan echt te begrijpen en dat vraagt van ons een enthousiaste naleving en een volledig engagement. We hebben geen andere woorden nodig: we moeten dringend het enige woord, het woord dat de Heer ons gegeven heeft, verinnerlijken en beminnen. Dat maakte Jezus zijn leerlingen van toen duidelijk en Hij herhaalt het vandaag aan ons: “Dit is het wat Ik jullie te zeggen had, nu Ik nog bij jullie ben. De helper die de Vader jullie in mijn naam zal zenden, zijn heilige Geest, zal jullie verder in alles onderrichten: Hij zal jullie alles laten begrijpen wat Ik jullie gezegd heb” (25-26). Jezus had begrepen dat zijn leerlingen gemakkelijk vergaten en dat ze geneigd waren om niet te willen begrijpen; en wij verschillen niet van hen. Daarom voegt Hij eraan toe dat Hij de Geest zou zenden als hun en onze innerlijke meester. Het zal zijn taak zijn om ons Jezus’ woorden te herinneren en te doen begrijpen. Zich het evangelie herinneren, met de hulp van de Geest, betekent deze heilige woorden beminnen als de dierbaarste om ze altijd in praktijk te brengen.

Gebed op de dag des Heren

Zaterdag 25 mei

Hnd 16, 1-10. Reis door Klein-Azië

In hoofdstuk 16 van Handelingen overschrijdt het woord van God de grenzen van Azië. De schrijver maakt duidelijk dat de beslissing om naar Europa over te steken niet afhangt van een strategie van de apostel Paulus, maar van een vraag die uit het hart van het Romeinse keizerrijk zelf opsteeg. Een Macedoniër verschijnt Paulus in een visioen en smeekt hem om hulp! Het is een dringende oproep, bijna een gebod. In elk geval is het een “visioen”. De apostel vervult zijn zending niet met hangende schouders, hij beleeft zijn taak van verkondiger van het evangelie niet zomaar als een werknemer. Hij laat zich bevragen door de visoenen van het evangelie. Hij beseft dat het evangelie overal verkondigd moet worden en gaat in op de roep van wie in nood is. Hij luistert naar de roep van wie om redding schreeuwt en vraagt zich af hoe hij zijn prediking moet aanpakken, hoe hij het hart van de mensen kan raken. De apostel neemt de droom van het evangelie ter harte, het missionaire visioen dat Jezus zijn apostelen heeft meegegeven. En vanaf nu wordt dit visioen concreet voor de hele Grieks-Romeinse wereld. Door te antwoorden op de roep van de Macedoniër opent Paulus de deuren van heel de westerse wereld voor de christelijke verkondiging. Het evangelie overwint de beperkte grenzen van Klein-Azië en steekt over naar Europa, naar Rome, het hart van het Romeinse Rijk. We moeten vaststellen dat die hulpkreet vandaag nog altijd even krachtig opstijgt van uit onze steden, van uit de grote periferieën die getekend zijn door geweld en haat, door onverschilligheid en geslotenheid. Het oude christelijke westen heeft een vernieuwde verkondiging van het evangelie nodig. De roep van de Macedoniër is vandaag de schreeuw van de armen, de vreemdelingen, de gemarginaliseerden, de gevangenen, de bejaarden, de zo velen die alleen gelaten en uitgesloten worden. In een tijd van globalisering vertegenwoordigt de Macedoniër niet één werelddeel of cultuur, maar alle landen en culturen waar geweld en onrecht heerst. De Europese christelijke kerken moeten naar die hulpkreet luisteren, naar de kreet van wie verdrukt is door geweld en oorlog, vooral van de volkeren van het zuiden van de wereld – zoals Paulus die nacht gedaan heeft. Onze kerken moeten een visioen hebben; ze mogen zich niet op hun problemen – vaak van organisatorische aard – terugplooien, maar ze moeten groots durven denken. Zoals ze destijds hulp van Paulus ontvingen, moeten ze die nu aan velen, die nog steeds hun kreet uiten en dikwijls geen luisterend oor vinden, in de wereld aanbieden. De overgang van Paulus van het oosten naar het westen nodigt allen, en vooral de rijke landen, uit om niet doof te blijven voor de vele Macedoniërs in de wereld, die voortdurend schreeuwen: ‘Kom ook naar ons en help ons!’. Zoals Paulus deed in die nacht is Europa, en in het bijzonder de christelijke kerken van Europa, geroepen om de hulpkreet te horen, die grote kreet om hulp en bijstand van de talrijke volkeren uit het zuiden van de wereld. De armen en de zwakken van de hele wereld schreeuwen naar de christelijke kerken: ‘Steek over naar ons en kom ons te hulp’.

Gebed op de vigilie