Donderdag 14 maart

Est 4, 17C-DAanvulling C

Denk eens terug , zo liet hij haar zeggen, aan de tijd dat je in ellende verkeerde en hoe je toen door mijn hand werd gevoed. Haman, de eerste man na de koning, heeft voor onze dood gepleit. Roep de Heer aan, pleit voor ons bij de koning en red ons van de dood.

Gebed van Mordekai

En Mordekai wende zich smekend tot de Heer: met al de werken van de Heer in gedachten bad hij: Heer, Heer, U, koning die over alles heerst: aan uw macht is alles onderworpen en als U Israël wilt redden, is er niemand die U tegenwerkt; U hebt de hemel en de aarde gemaakt en alles wat er onder de hemel te bewonderen walt; U bent Heer over iedereen en er is niemand die zich tegen U, de heer, zal verzetten. U doorziet alles; U weet, Heer, dat ik niet uit hoogmoed handelde, niet uit verwaandheid en niet uit eerzucht, toen ik voor die opgeblazen Haman niet op de knieën viel. I had immers de zolen van zijn voeten graag gekust, als ik daarmee Israël had kunnen redden. Als ik zo gehandeld had, dan was dat eerder om een mens niet hoger te eren dan God. Ik wil voor niemand knielen dan voor U, die mijn Heer bent, en het is dus geen hoogmoed, wanneer ik zo handel. Welaan dan, Heer, God, koning, God van Abraham, spaar uw volk, want ze loeren op onze ondergang en hebben er hun zinnnen op gezet om ons, uw erfdeel van oudsher, te vernietigen. Veronachtzaam w eigendom niet, dat U voor Uzelf uit Egypte hebt vrijgekocht. Verhoor mijn gebed, erbarm u over uw erfdeel en laat onze droefheid in vreugde veranderen. Laat ons leven, om de lof van Uw naam te zingen, Heer, en sluit niet de mond van hen die U prijzen. En heel Israël riep uit alle macht, want zij zagen de dood vlak voor zich.

Gebed van Ester

Ook koningin Ester nam in doodsnood haar toevlucht tot de Heer. Zij legde haar staatsierkleren af en trok rouw- en treurgewaden aan. In plaats van fijne reukwerken strooide zij as en drek op haar hoofd. Zij kastijdde haar lichaam streng, en overal waar zij vroeger weelde aan sieraden droeg, liet zij nu haar verwarde haren hangen. En zij bad als volgt tot de Heer, de God van Israël: Mijn Heer, onze koning, U bent de Enige! Kom mij te hulp, ik die alleen sta en geen andere helper heb dan U, want ik ga een groot gevaar tegemoet. Vanaf mijn geboorte heb ik in de stam, waaruit ik voortkom, gehoord dat U Heer, uit alle naties Israël en uit alle voorouders onze vaderen hebt aangenomen als blijvend erfdeel, en dat U voor hen alles hebt gedaan wat U beloofd had. Wij echter hebben tegen U gezondigd en U hebt ons aan onze vijanden uitgeleverd, omdat wij hun goden geëerd hebben. U bent rechtvaardig Heer! Nu echter is onze bittere slavernij hun niet meer genoeg: zij hebben tegenover hun afgoden op handslag beloofd de toezegging uit uw mond te verijdelen, uw erfdeel te vernietigen, de mond te snoeren van hen die U prijzen, de luister van uw huis en uw altaar uit te doven, de mond van de naties te openen om hun waangoden te prijzen, en eeuwige eerbied af te dwingen voor een vergankelijke koning. Geef uw scepter, heer, niet prijs aan hen die niet bestaan en laat ze niet lachen om onze ellende. Keer hun plan tegen henzelf en stel de man die tegen ons begonnen is aan de kaak.

De Griekse tekst, die van recentere datum is dan de Hebreeuwse, voegt aan het vasten van het volk de lange smeekgebeden van Mordekai en Ester toe. Het gebed van Mordekai is een objectieve geloofsbelijdenis, quasi onpersoonlijk, mocht ze niet gevolgd worden door de verwijzing naar zichzelf: “Ik had immers de zolen van zijn voeten graag gekust, als ik daarmee Israël had kunnen redden. Als ik zo gehandeld heb, dan was dat eerder om een mens niet hoger te eren dan God” (4, 17D4-5). Het gebed van Ester is rijker en persoonlijker; het bevat de houding van het volk van Israël op zijn beste momenten, dat in de confrontatie met zijn vijanden niet alleen zegt: “Bevrijd ons van hen”, maar dat ook erkent: “Wij hebben gezondigd”. De aanwezigheid van de vijand is een terechtwijzing, een vernieuwde oproep tot een vol geloof, dat het volk van Israël had verwaarloosd omdat het zich had laten meeslepen door zijn welvaart. In haar gebed gaat Ester over van het enkelvoud op het meervoud: zij steekt boven het volk uit, als ze kijkt naar de opdracht die specifiek de hare is om zich aan de koning voor te stellen, een opdracht waardoor ze zich eenzaam, zwak en angstig voelt. Maar tegelijkertijd vereenzelvigt ze zich met het volk waar ze de woordvoerster van is, als ze smeekt om bevrijd te worden van de vijanden omwille van de glorie van de Heer en de bescherming van zijn erfdeel.

Gebed voor de kerk

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s