Maandag 11 februari

Gn 1, 1-19. De schepping

In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2 De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de geest van God zweefde over de wateren. 3 Toen zei God: ‘Er moet licht zijn!’ En er was licht. 4 En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis; 5 het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de eerste dag. 6 En God zei: ‘Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.’ 7 En God maakte het uitspansel; Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde het. 8 Het uitspansel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de tweede dag. 9 En God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats samenvloeien, zodat het droge zichtbaar wordt.’ Zo gebeurde het. 10 Het droge noemde God land, en het samengevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was. 11 En God zei: ‘Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.’ Zo gebeurde het. 12 En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was. 13 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag. 14 En God zei: ‘Er moeten lichten zijn aan het hemelgewelf, die de dag van de nacht zullen scheiden; zij moeten als tekens dienen, voor zowel de feesten als voor de dagen en de jaren, 15 en als lampen aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten.’ Zo gebeurde het. 16 God maakte de twee grote lampen, de grootste om over de dag te heersen, de kleinste om te heersen over de nacht, en Hij maakte ook de sterren. 17 God gaf ze een plaats aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten, 18 om te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht van de duisternis te scheiden. En God zag dat het goed was. 19 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vierde dag.

Vandaag beginnen we met de lezing van het boek Genesis, het eerste Bijbelboek. In de eerste elf hoofdstukken wordt de opvatting van Israël over de schepping en de mensheid beschreven. Het is niet het eerste boek dat geschreven werd. Het werd opgesteld na de tijd van de Babylonische ballingschap. Na die vreselijke ervaring begon het volk van Israël grondig na te denken over zijn geschiedenis, om een zin te kunnen geven aan zijn bestaan als volk. Door hierover na te denken vond het volk ook antwoorden op de vele vragen over de zin zelf van de schepping, van het bestaan, van het bestaan van het kwade, van de dood, enzovoort. Zo kwam een tekst tot stand over het waarom van de wereld en van ons leven. Waarom leven wij? Waar komen wij vandaan? Waar gaan wij heen? De eerste woorden van het boek Genesis, “in het begin”, zijn een poging om een eerste antwoord te formuleren op die vragen. De essentie is niet zozeer temporeel, maar eerder substantieel. Waarom bestaan wij? Omdat God dat heeft gewild. De schepping begint bij God, en dus het ontstaan van de wereld en het diepste zijn van elke mens beginnen bij God. Ook de wetenschap spreekt over het ontstaan van het heelal, maar ze kan geen antwoord geven op de vraag naar de zin en het waarom van ons bestaan. Het is God die ons gewild heeft, en Hij is de enige Heer van ons leven. Niemand anders kan zichzelf aan “het begin” plaatsen, aan het fundament van het menselijk leven en aan de schepping zelf. Op de vierde dag worden de zon, de maan en de sterren geschapen, om licht te brengen in het hemelgewelf, en “zij moeten als tekens dienen, voor zowel de feesten als voor de dagen en de jaren”. Dit is het centrale deel van de schepping die zich uitstrekt over zeven dagen. Op de eerste dag wordt het licht geschapen, maar het is pas op de vierde dag dat het licht een zin krijgt voor de schepping. Het is uiteraard waar dat het licht en de duisternis dienen om de dag te onderscheiden van de nacht, maar de auteur wil hier duidelijk onderlijnen dat ze vooral bestaan om de tijd van de mens te regelen en om het ritme van God te kennen, ofwel de liturgische “feesten”. Zonder feesten – en dat zullen we nog beter zien op de “zevende dag”, de sabbat – bereikt de schepping haar voltooiing niet. In een samenleving als de onze, die de zin en de waarde van het feest aan het verliezen is, roept dit verhaal ons op om ons eigen handelen niet in het centrum te plaatsen van alles. Het is beslissend voor ons en voor onze maatschappij om de tijd van God een plaats te geven in onze dagen om zo overheersing, geweld en verdrukking te vermijden. De tijd van God redt de tijd van de mens. Het is in deze historische dialoog tussen God en de mensen dat de mensheid haar redding vindt.

Gebed voor de armen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s