Donderdag 28 Februari

Sir 5,1-8

Vertrouw niet op je bezittingen
en zeg niet: ‘Ik kan mij er wel mee redden.’
2 Laat je niet meeslepen
door je eigen zin en je kracht
om te wandelen volgens de begeerten van je hart.
3 Zeg niet: ‘Wie zal mij commanderen?’
Weet wel: de Heer bestraft dat zwaar.
4 Zeg niet: ‘Ik heb gezondigd,
maar is mij nu iets overkomen?’
Weet wel: de Heer is toegevend.
5 Over de verzoening moet je niet zo luchthartig zijn
dat je zonde op zonde gaat stapelen.
6 Je moet ook niet zeggen:
‘Zijn medelijden is groot;
Hij zal mij mijn vele zonden wel vergeven.’
Let wel: er is bij Hem zowel medelijden als toorn,
en op de zondaars werkt Hij zijn kwaadheid uit.
7 Blijf niet wachten met je terugkeer tot de Heer
en stel die niet uit van dag tot dag,
want de toorn van de Heer komt plotseling los
en in het uur van de bestraffing ga je te gronde.
8 Vertrouw niet op oneerlijk verkregen bezit,
want het helpt je niet op de dag van de rampspoed.

In deze passage lezen we een reeks verboden. Ze gaan over dingen niet doen. Dit is een vaak terugkerende methode, vooral in de wijsheidsboeken, om de lezer toe te spreken. Ook in de wetgevende teksten van de Pentateuch vinden we zulke verboden terug. De tekst geeft eerst en vooral een aantal aanwijzingen die betrekking hebben op bezit: “Vertrouw niet op je bezittingen”, en: “Vertrouw niet op oneerlijk verkregen bezit” (8). Het komt vaak voor in de Bijbel dat we worden opgeroepen om niet te vertrouwen op onze rijkdom. Jezus zelf zal dit ook doen in de zaligsprekingen: “Wee jullie, rijken” (Lc 6, 24). Aan dit vertrouwen op onze rijkdom wordt de hoogmoed gekoppeld. De hoogmoedige zegt: “Ik kan mij er wel mee redden” (1): Hij is zelfzeker en heer en meester over zichzelf: “Wie zal mij commanderen?”. Onze zelfzekerheid brengt ons tot een oppervlakkig zelfbewustzijn, en zo beschouwen we onze zonde als iets normaals, zonder gewicht en zonder gevolg: “Ik heb gezondigd, maar is mij nu iets overkomen?” Zo wordt immers ook de genade van God beschouwd als iets automatisch, zijn medelijden als een gemakkelijke vrijgeleide. Het gebeurt dat we wennen aan onze zonde, in onze gewoonte om onszelf te herhalen, denkend dat ons toch niets kan overkomen. Maar onze zonde blijft niet zonder gevolgen, en vergt dringende bekering. “Blijf niet wachten met je terugkeer tot de Heer en stel die niet uit van dag tot dag”. We stellen onze bekering heel vaak uit. Het lijkt wel of we geen tijd hebben om ons te bekeren. Als het woord van God ons ondervraagt, kunnen we het ons niet veroorloven om ons antwoord uit te stellen. Zo brengen we schade toe aan onszelf, en weigeren we de mogelijkheid die de Heer ons aanbiedt om ons leven te veranderen.

Gebed voor de kerk

Advertenties

Woensdag 27 Februari

Sir 4, 11-19

De wijsheid voedt haar zonen op
en zij zorgt voor degenen die haar zoeken.
12 Wie haar liefheeft, heeft het leven lief
en wie haar vroeg zoeken, worden met vreugde vervuld.
13 Degene die haar verwerft
zal roem als erfdeel krijgen,
en waar zij binnenkomt,
geeft de Heer zijn zegen.
14 Degenen die haar huldigen dienen de Heilige
en degenen die haar beminnen worden door de Heer bemind.
15 Wie naar haar luistert zal rechtspreken over de volken
en wie haar is toegedaan zal zich veilig voelen in zijn woning.
16 Als je op haar vertrouwt,
krijg je haar als erfdeel
en zullen je nakomelingen haar blijvend bezitten.
17 In het begin bewandelt zij kronkelwegen met jou;
zij jaagt je vrees en angst aan;
zij toetst je met haar opvoeding,
totdat zij je gezindheid vertrouwt,
en zij stelt je op de proef met haar bevelen.
18 Daarna wendt zij zich rechtstreeks tot jou
en maakt zij je blij
en openbaart zij je haar geheimen.
19 Als je afdwaalt, laat zij je los
en levert je over aan je ondergang.

Hier wordt de waarde van de wijsheid beschreven, en van de vruchten die ze voortbrengt voor wie er trouw naar op zoek gaat. Wijsheid en woord van God gaan hand in hand in het boek van Jezus Sirach. Als je op zoek gaat naar het ene, wil het zeggen dat je moet luisteren naar het andere. De auteur onthult onmiddellijk het geheim van de wijsheid: “Wie haar liefheeft, heeft het leven lief”. Daarom moeten we naar haar op zoek gaan van ’s morgens vroeg, want zo kunnen we leven volgens haar en niet volgens onszelf. Leven volgens onze eigen wijsheid is immers een bekoring van ieder van ons. Als we ten volle willen leven moeten we de wijsheid van God aanbidden, beluisteren, en erop vertrouwen. Wijsheid komt als vrucht van een zoektocht in vertrouwen in Hem die haar doorgeeft in overvloed. Als we de tijd waarin we leven, en ook onszelf, willen begrijpen, hebben we nood aan deze wijsheid.  Maar de auteur weet goed hoe die wijsheid verwerven een inspanning vereist. De wijsheid kennen gaat niet van een leien dakje. We lezen zelfs dat de wijsheid “in het begin kronkelwegen bewandelt met jou” en dat ze je “op de proef stelt met haar bevelen”. We moeten dus aanvaarden dat leven volgens de wijsheid een inspanning vraagt. Niet alles zal onmiddellijk duidelijk zijn, er is een zekere discipline nodig die ook soms lastig kan lijken. Maar eens je hebt aanvaard dat je deze inspanning moet leveren, maakt de wijsheid je leven blij, helpt ze om het kwade te herkennen en om je te schamen over je zonden. Ons schamen over onze zonden betekent dat we een juist bewustzijn hebben van onszelf, van onze eigen grenzen. Laten we proberen om de rijkdom van deze overweging te vatten en de inspanning leveren om te groeien in de school van het woord van God.

Gebed met de heiligen

Dinsdag 26 Februari

Sir 2, 1-11. Vrees voor God

Mijn zoon, wanneer gij de Heer gaat dienen, bereid u dan voor op beproevingen 2Laat uw hart de juiste weg inslaan en laat het sterk zijn, en wind u niet op als de tegenspoed komt. 3Houd u aan Hem vast en laat Hem niet los: dan zult gij uiteindelijk verheven worden. 4Alles wat u overkomt moet ge aanvaarden; gij moet geduldig zijn in de wederwaardigheden die u vernederen. 5Want goud wordt in het vuur beproefd en de aan God welgevallige mens in de oven van de vernedering. 6Vertrouw op Hem en Hij zal u helpen; bewandel rechte wegen en stel uw hoop op Hem. 7Gij die de Heer vreest, verwacht zijn erbarming en wijkt niet af van de weg: gij zoudt kunnen vallen. 8Gij die de Heer vreest, vertrouwt op Hem en uw loon blijft zeker niet uit. 9Gij die de Heer vreest, hoopt op het goede, op eeuwige blijdschap en erbarming. 10Richt uw ogen op de geslachten van vroeger en ziet: Is er iemand geweest die op de Heer vertrouwde en beschaamd werd? Heeft er iemand in de vrees voor Hem volhard die in de steek werd gelaten? Heeft iemand Hem aangeroepen zonder verhoord te worden? 11Want de Heer is barmhartig en genadig. Hij vergeeft de zonden en redt op het ogenblik van de verdrukking.

De dienst aan God vergt voorbereiding, het is niet iets wat je zomaar kan improviseren. Net als bij alles wat belangrijk is in ons leven is bijzondere aandacht geboden. Dat is de zin van wat Jezus Sirach ons wil bijbrengen, door diegenen die God dienen in het voetlicht te zetten. Die dienst garandeert geen rustig leven, in tegendeel, de auteur heeft het over tegenspoed en beproevingen. En de beproevingen van het leven dienen zich op verschillende manieren aan en wekken vaak de bekoring op om ons te laten ontmoedigen, om ons van de Heer te verwijderen en om oplossingen te zoeken in onze eigen bekwaamheden of in wereldse rijkdommen. De Schrift vraagt ons om ons leven te baseren op het luisteren naar het woord van God en de vrees voor de Heer. “Je moet geduldig zijn. Want goud wordt in het vuur beproefd, en de mens die God aangenaam is in de oven van de vernedering”. Dat betekent niet dat God beproevingen op ons afstuurt, maar wel dat Hij ervoor kiest om ons in de beproevingen nabij te zijn. Dat is de keuze van Jezus, om door zijn lijden elke lijdende nabij te zijn. De enige manier om in de beproevingen niet te bezwijken is steunen op de Heer: “Vertrouw op Hem en Hij zal je helpen; bewandel rechte wegen en stel je hoop op Hem”. Hieruit komt de vrees voor de Heer voort, die geen angst is, maar aandacht voor het leven dat door God bemind en beschermd is, zodat we met Jezus Sirach kunnen zeggen: “Jij die de Heer vreest, vertrouw op Hem en je loon blijft zeker niet uit”. De vrees voor de Heer is geworteld in dit vertrouwen dat ons doet steunen op de Heer in het bijzonder op de moeilijkste momenten van ons leven. De vrees voor de Heer doet ons leven in zijn liefde, die groter is dan alle kwaad.

Gebed met Maria, moeder van God  

Maandag 25 februari

Sir 1, 1-10

Alle wijsheid komt van de Heer en is bij Hem tot in eeuwigheid. 2Het zand van de zeeën, de druppels van de regen en de dagen van de tijd: wie kan ze tellen? 3De hoogte van de hemel, de breedte van de aarde en de diepte van de zee: wie kan ze achterhalen? 4Voor alle andere dingen is de wijsheid geschapen en het denkend verstand is van eeuwigheid. 5De bron van de wijsheid, dat is het woord van God in den hoge, en haar wegen zijn eeuwige regels. 6Voor wie werd de wortel van de wijsheid blootgelegd en wie kent haar diepzinnig beleid? 7Aan wie is de kennis van de wijsheid meegedeeld en wie heeft haar rijke weten bevat? 8Een alleen is wijs en zeer te vrezen: Hij die zit op zijn troon, 9de Heer. Hij is degene die de wijsheid heeft geschapen, die haar heeft bezien en uitgemeten en haar heeft uitgestort over al zijn werken; 10in al wat leeft is zij aanwezig, zoals Hij haar geeft. Hij deelt haar toe aan wie Hem liefhebben.

Het boek Wijsheid van Jezus Sirach, dat waarschijnlijk boek is dat het laatste geschreven werd van het Oude Testament, begint met de eenvoudige beschrijving van wat wijsheid is. Eerst en vooral verheldert de auteur dat de wijsheid enkel van God komt: “Eén alleen is wijs en zeer te vrezen: Hij die zit op zijn troon, de Heer. Hij is degene die de wijsheid heeft geschapen”. Het woord van God is de bron van alle wijsheid, of zoals de psalm het zegt: “een lamp voor mijn voeten” (Ps 119, 105). Dit boek biedt zich dus aan als een groot onderricht, dat ons helpt bij het nadenken over verschillende aspecten van het leven. Uiteraard zijn sommige delen gekleurd door de cultuur van die tijd, maar op elke bladzijde worden we opgeroepen om de kracht van deze wijsheid – die levenscultuur wordt – te ontdekken om zo de wereld waarin we leven beter te begrijpen. Als ons geloof niet in staat is om ons de wereld beter te doen begrijpen, riskeert het steriel te worden en te verarmen tegenover de uitdagingen die ons te wachten staan. Uiteindelijk schrijft Jezus Sirach in een tijd die op zijn manier getekend was door een cultuur van globalisering, zoals de Hellenistische er zeker een was. Zijn analyse en wijsheid tonen de inspanning van de gelovige om binnen te dringen in de plooien van zijn bestaan en van de wetten van de schepping. De Heer wil ons niet uitsluiten van zijn wijsheid, integendeel, Hij schenkt ons zijn wijsheid en geeft ons de kans om die wijsheid te ontdekken en te delen met anderen: “Hij heeft haar uitgestort over al zijn werken; in al wat leeft is zij aanwezig, zoals Hij haar geeft. Hij bedeelt haar aan degenen die Hem liefhebben”. We kunnen niet anders dan deze gulle gave aanvaarden, want de wijsheid die van God komt kan ons helpen om een inkijk te hebben in de plooien van de schepping en om de wijze blik van God die rust op allen beter te begrijpen. We moeten dus ontvangen, zoeken en onderzoeken. Dit is de taak van de mensen tegenover de gave van de wijsheid en het woord van God. We moeten zonder ophouden op zoek gaan om de zin van de werkelijkheid te vatten om zo de geschiedenis van de wereld mee te kunnen bepalen.

Gebed voor de armen  

Zondag 24 Februari

7de zondag door het jaar

1 S 26, 2.7-9.12-13.22-23; Ps 103; 1 Kor 15, 45-49; Lc. 6, 27-38

Maar tegen jullie die luisteren, zeg Ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie je haten, 28 zegen hen die je vervloeken en bid voor degenen die je smaden. 29 Slaat iemand je op de wang, bied hem dan ook de andere, en pakt iemand je jas af, weiger hem ook je hemd niet. 30 Vraagt iemand je om iets, geef het, en pakt men iets van je af, vraag het dan niet terug. 31 Behandel de mensen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. 32 Als jullie je vrienden liefhebben, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook de zondaars hebben hun vrienden lief. 33 En als jullie je weldoeners weldoen, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook de zondaars doen dat. 34 En als jullie lenen aan mensen van wie je iets terugverwacht, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook zondaars lenen aan zondaars om op hun beurt hetzelfde te krijgen. 35 Nee, heb je vijanden lief, doe wel en leen uit, en verwacht daarvoor niets terug. Dan zal er een rijke beloning voor jullie zijn: je wordt kinderen van de Allerhoogste, want ook Hij is goed voor ondankbare en slechte mensen. 36 Wees barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is. 37 Werp je niet op als rechter, dan zullen jullie niet berecht worden. Veroordeel niet, dan zullen jullie niet veroordeeld worden. Spreek vrij, dan zullen jullie vrijgesproken worden. 38 Geef, dan zal jullie gegeven worden. Een mooie maat, stevig aangedrukt, goed geschud en overvol zal je in de schoot geworpen worden. Want met de maat waarmee jullie meten, zul je gemeten worden.’

In het evangelie van vandaag lezen we het vervolg op de zaligsprekingen. Jezus spreekt met gezag: “Heb je vijanden lief, wees goed voor wie je haten, zegen hen die je vervloeken en bid voor degenen die je smaden”. Het zijn woorden die ook vandaag nog vreemd in de oren klinken. Hoe is het mogelijk om je vijand lief te hebben en om diegenen die je haten goed te behandelen? Als er één ding duidelijk is in deze wereld, dan is het wel de indeling in vriend en vijand. De vrienden worden de hemel in geprezen, ook omdat we van hen kunnen verwachten dat ze met ons hetzelfde doen, terwijl de vijanden, in het best mogelijke geval, ontweken worden. Dit is zo voor individuen, maar ook voor groepen of naties. Jezus gaat nog verder: “Slaat iemand je op de wang, bied hem dan ook de andere, en pakt iemand je jas af, weiger hem ook je hemd niet”. Bij zulke uitspraken – zoals bij vele andere uitspraken in het evangelie – denken wij spontaan dat het om een onmogelijke opdracht gaat. We weten allemaal heel goed hoe moeilijk het is om iemand die ons onrecht heeft aangedaan te vergeven. Hoeveel moeilijker is het dan om iemand te vergeven die onze vijand blijkt te zijn. We komen dan tot het besluit dat een evangelie dat niet enkel vraagt om de anderen te vergeven voor wat ze ons aandoen, maar om zelfs onze vijanden lief te hebben, onverzoenbaar is met de realiteit waarin we leven. Zeker, het is niet wat deze wereld ons aanleert, maar het is daarom niet onverzoenbaar met de realiteit! Integendeel, nooit als ooit tevoren klinken deze woorden heel actueel, en maar zelden heeft een samenleving er nood aan zoals de onze. Onze samenleving is gebouwd op de ijzeren wetten van de competitiviteit: enkel wie competitief, is telt. Deze competitiviteit brengt onontkoombaar met zich mee dat we de anderen als concurrenten beginnen te zien, als vijanden. Het evangelie wil deze logica van de vijand tot aan de wortel vernietigen. Het is een vreselijke logica die aan de basis ligt van elke vorm van geweld. Daarom zijn de woorden van Jezus alles behalve onmenselijk. We kunnen eerder zeggen dat het leven dat we allemaal leiden onmenselijk is, omdat het gebaseerd is op de logica van de wederzijdse oppositie. We hebben allemaal voor ogen wat voor bittere vruchten er voortkomen uit het feit dat mensen niet gewend zijn om hun andere wang aan te bieden en om hun vijanden lief te hebben. Wij leven allemaal met het idee dat we koste wat het kost de ander moeten overwinnen, maar Jezus redeneert niet volgens deze categorieën. Hij wil niemand overwinnen, Hij beschouwt niemand als zijn vijand, en heeft de cultuur van de competitiviteit nooit aanvaard. Voor ons is winnen haast een obsessie. Hoeveel leven is er niet geofferd op het altaar van de competitiviteit. Voor Jezus bestaan er geen vijanden, en bestaat ook niet de idee om te moeten winnen van de anderen. Winnen van wie? Jezus haat of misprijst niemand.  Voor Hem is de barmhartigheid de enige grote regel: “Wees barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is”. De regel “Behandel de mensen zoals je wilt dat ze jullie behandelen” is bijzonder wijs.

Gebed op de dag des Heren

Vrijdag 22 februari

Feest van de Stoel van Petrus

Mt 16, 13-19. De geloofsbelijdenis van Petrus

Jezus kwam in de streek van Caesarea van Filippus en vroeg zijn leerlingen: ‘Wie is de Mensenzoon volgens de mensen?’ 14 Ze zeiden: ‘Volgens sommigen Johannes de Doper, volgens anderen Elia, volgens weer anderen Jeremia of een van de profeten.’ 15 Hij zei hun: ‘En jullie, wie ben Ik volgens jullie?’ 16 Simon Petrus antwoordde hem: ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God.’ 17 Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Gelukkig ben jij, Simon Barjona; niet vlees en bloed hebben jou dat onthuld, maar mijn Vader in de hemel. 18 Ik zeg jou: jij bent Petrus; op die steenrots zal Ik mijn kerk bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen. 19 Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, en wat je op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’

Het feest van de Stoel van Petrus is een oude traditie, die wil dat het episcopaat van Petrus in Rome op 22 februari zou begonnen zijn. De liturgie nodigt ons uit om het ‘mysterie van Petrus’ te herdenken en te vieren. Dit feest toont enerzijds wat het apostolisch fundament van de kerk van Rome is en anderzijds hoe zij ons voorgaat in de liefde, een uniek charisma dat verder leeft in de opvolgers van Petrus. Deze passage toont met drie symbolen – de rots, de sleutels en het vast- en weer losmaken – dat het charisma van Petrus ten dienste staat van de vorming van alle uitverkorenen van God samen. Aan de bisschop van Rome wordt de zorg toevertrouwd om eenheid te bewerkstelligen, en we weten hoe vitaal dit is voor de kerk, vandaag meer dan ooit. In een geglobaliseerde wereld, waar iedereen graag naar zichzelf verwijst en waar veel verbrokkeling is, vertegenwoordigt de paus een unieke schat die moet gekoesterd, beschermd en getoond worden. Niet met machtsvertoon, zoals de wereld dat doet, maar als dienst van liefde voor iedereen en vooral voor de armen. Dit primaatschap ontstaat immers niet uit “vlees en bloed”, het is geen kwestie van persoonlijke of menselijke kwaliteiten, het is God die zijn Geest schenkt aan zijn kerk, zoals duidelijk blijkt uit deze evangelietekst. Het getuigenis van paus Franciscus is bijzonder veelzeggend in deze tijd van chaos en onzekerheid. Jezus heeft zelf de rots aangewezen, toen Hij zijn leerlingen samenbracht op een afgelegen plek. Hij vroeg hen wat de mensen over Hem dachten. Niet zozeer uit nieuwsgierigheid, ook al zou dat niet zo vreemd zijn. Jezus wist maar al te goed dat de mensen de Messias verwachtten, maar dan eerder als een sterke politieke of militaire figuur, die Israël moest bevrijden van de Romeinen. Maar dat stond haaks op de zending van Jezus, die de mensen was komen bevrijden van de slavernij van de zonde en het kwaad. Na de eerste antwoorden peilt Jezus op de man af naar het hart van de leerlingen: “En jullie, wie ben Ik volgens jullie?” Hij wil dat zijn leerlingen eensgezind zijn met Hem. Petrus neemt het woord in naam van de anderen en belijdt zijn geloof. En hij wordt meteen “gelukkig” genoemd. Petrus en dat bescheiden groepje leerlingen behoren tot die “kleinen” aan wie de Vader openbaart wat verborgen is gebleven van bij het ontstaan van de wereld. En Simon, een gewone man van “vlees en bloed”, krijgt in de ontmoeting met Jezus een nieuwe roeping, een nieuwe taak, een nieuw engagement: rots te zijn, een steun voor de anderen, met de macht nieuwe vriendschappen aan te knopen en de mensen te bevrijden uit de slavernij.

Gebed van de twaalf apostelen

Donderdag 21 februari

Gedachtenis van de heilige Petrus Damiani (+ 1072). Trouw aan zijn monastieke roeping hield hij van de kerk en wijdde hij zijn leven om haar te hervormen. Herinnering aan alle monniken overal ter wereld.

Gn 9,1-13

Toen zegende God Noach met zijn zonen, en zei tegen hem: ‘Wees vruchtbaar, word talrijk en bevolk de aarde. 2 Er zal vrees en schrik voor u zijn bij alle dieren op de aarde, bij alle vogels in de lucht, bij alles wat op de grond kruipt en bij alle vissen in de zee; ze zijn onder uw heerschappij gesteld. 3Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen; Ik schenk u dat allemaal naast het groene gewas. 4 Alleen vlees met de ziel – vlees met het bloed er nog in – mag u niet eten. 5 Ook uw eigen bloed zal Ik terugeisen: van alle dieren zal Ik het terugeisen en ook van de mensen, van de mensen onderling zal Ik het leven van de mens terugeisen. 6 Het bloed van degene die het bloed van een mens vergiet, 
zal door mensen worden vergoten, 
want de mens is gemaakt naar het beeld van God. 
7 Wees vruchtbaar en word talrijk, 
bevolk de aarde en word er talrijk.’ 
8 God zei tegen Noach en zijn zonen: 9 ‘Nu sluit Ik mijn verbond met u en met uw nageslacht, 10 en met alle levende wezens die bij u zijn, met de vogels en de viervoetige dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn, alle dieren die uit de ark zijn gekomen, alle dieren van de aarde. 11 Ik sluit met u mijn verbond, dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid, en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.’ 12 En God zei: ‘Dit is het teken van het verbond, dat Ik sluit tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, voor alle generaties. 13 Ik zet mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde.

Het verhaal van de zondvloed komt nu tot een einde. God verricht drie daden en laat een teken achter van zijn aanwezigheid in de schepping: Hij zegent, Hij verwerpt elke vorm van geweld, Hij sluit een verbond, en Hij laat ten slotte het teken van de regenboog achter aan de hemel. Gods zegening toont het verlangen van de Heer om in communie te leven met de mensen. Hij is leven en vruchtbaarheid. Als de mensen Hem aanvaarden, zullen ze leven; als ze Hem niet aanvaarden, vervallen ze in de vervloeking, dat is de weigering van het leven dat de Heer aanbiedt. Daarom moet het leven ten allen koste bewaard en beschermd worden tegen het geweld. Laten we nooit vergeten dat de zondvloed het gevolg was van een aarde “vol geweld”, zoals we lezen in het zesde hoofdstuk: “De dagen van de mensen zijn geteld, want zij zijn er de schuld van dat de aarde vol geweld is” (6,13). Zo was het van bij het prille begin van de mensheid, toen Kaïn Abel vermoordde en zo de hele geschiedenis van de mensheid en de mogelijkheid tot samenleven gecompromitteerd heeft. Gods gedecideerde weigering van elke vorm van geweld is inherent aan het ontstaan van de mens, die “geschapen is naar het beeld van God”. Hieruit komt het nieuwe verbond dat God afsluit met Noach voort. God verbindt zich tot een liefdespact met alle levende schepselen. Ze genieten allemaal zijn bescherming, onder de vleugels van zijn liefde die het leven wil voor allen. In het Oude Testament vernieuwt de Heer geregeld zijn verbond, want het zijn de mensen en zijn volk die het vaak in de wind slaan. Maar God is trouw en volhardt in zijn verlangen om ons zijn vriendschap aan te bieden. God geeft ons ook een teken van zijn verbond: de boog, die wij als regenboog interpreteren. De tekst vertaald uit het Hebreeuws heeft het over “een boog op de wolken”. De boog is ook het symbool van de oorlog. Maar God transformeert de geschiedenis van geweld in een geschiedenis van vrede. Dat is het teken van Gods droom voor de wereld.

Gebed voor de kerk