Donderdag 31 januari

Gedachtenis van Modesta, een dakloze vrouw die in 1983 in station Termini in Rome overleed nadat hulp haar geweigerd was omdat ze vuil was. Met haar herdenken we alle daklozen die op straat sterven en niet de nodige hulp krijgen.

Heb 10, 19-25. Aansporingen en waarschuwingen

Broeders en zusters, door het bloed van Jezus hebben wij vrije toegang gekregen tot het heiligdom. 20 Hij heeft voor ons een nieuwe, levende weg gebaand door het voorhangsel heen, dat is zijn aardse gestalte. 21 We hebben nu een verheven hogepriester die over het huis van God is aangesteld. 22 Laten we dus naderen, maar met een oprecht hart en een vast geloof, met een hart dat door de besprenkeling vrij is van schuldbesef, met een lichaam dat gewassen is met zuiver water. 23 Laten wij onwrikbaar vasthouden aan de belijdenis van onze hoop, want Hij die de beloften deed is betrouwbaar. 24 Laten we elkaar in het oog houden om elkaar aan te sporen tot liefde en goede werken.25 Wij moeten niet wegblijven van onze bijeenkomsten, zoals sommigen gewoonlijk doen; laten we elkaar moed inspreken, en dit temeer naarmate u de grote dag dichterbij ziet komen. 

Nu zijn doctrinaal betoog over Jezus de hogepriester afgesloten is, vestigt de auteur de aandacht van de gelovigen op de gevolgen die ze hieruit moeten trekken. De eenheid met het bloed en het lichaam van Christus geeft ons toegang tot het heiligdom waarin Hij is binnengegaan. Het is gemakkelijk om te beseffen dat de auteur het hier heeft over de eucharistie, opgevat als de meest directe weg om binnen te kunnen treden in het heiligdom, wat wil zeggen: de Heer op een directe en persoonlijke manier ontmoeten. De eenheid met het lichaam van Christus schept dus een directe band met God en met al onze broers en zussen. De auteur gebruikt de Griekse term ‘parresia’, dat vertaald kan worden als ‘met een oprecht hart’. In het oude Griekenland stond het recht van parresia gelijk met het recht om volwaardige stadsburgers te zijn en in vrijheid te kunnen spreken. In de gemeenschap van gelovigen wil dit zeggen om de vrijheid te hebben om zich te kunnen richten tot God zonder bemiddelaars. We kunnen dus tot God spreken met het volle vertrouwen waarmee kinderen dat kunnen doen. Deze “weg” werd voor ons gebaand door Jezus, en de brief roept ons op om deze weg te bewandelen zonder schroom: “Laten we dus naderen, maar met een oprecht hart en een vast geloof, met een hart dat door de besprenkeling vrij is van schuldbesef, met een lichaam dat gewassen is met zuiver water”. Leven in de gemeenschap door deel te nemen aan de heilige liturgie, aan de broederlijke eenheid, aan de liefde voor de armen, aan de inzet om het leven van de anderen vrediger te maken, doet ons die weg die Jezus voor ons gebaand heeft bewandelen. Daarom roept de brief de gelovigen op om mekaar wederzijds aan te sporen tot “de liefde”, en om edelmoedig te zijn in “de goede werken”. En wie wegblijft van de bijeenkomsten is gewaarschuwd dat dit ons verwijdert van het heiligdom, van God zelf. Wanneer we ons verwijderen van ons geloof is dit niet in de eerste plaats een theoretisch probleem, maar veeleer een probleem van ons hart, van het toevertrouwen van ons leven aan de Heer. We moeten beseffen dat, wanneer we ons verwijderen van ons geloof, dit niet onverhoeds gebeurt. Het begint met afspraken niet na te komen, niet meer te spreken, en zo zakken we stilaan weg in een breuk met de communie. Op deze manier – zo waarschuwt de brief – “verachten we de Zoon van God” en “honen we de Geest van Gods genade” (29). Jammer genoeg is hiervan niet altijd een weg terug. Het is een ware tragedie voor wie zich laat meesleuren.

Gebed voor de kerk

Advertenties