Dinsdag 29 januari

Heb 10, 1-10. Brandoffers en zoenoffers konden U niet behagen

De wet laat slechts een schaduw zien van de goede dingen die moesten komen, niet hun ware gedaante. Daarom kan zij onmogelijk door het jaarlijks opdragen van steeds weer dezelfde offers hen die eraan deelnemen tot volmaaktheid brengen. 2 Anders had men die offerdienst wel gestaakt; de offeraars zouden zich immers bevrijd weten van schuldgevoel als ze eens en voorgoed gereinigd waren. 3Maar deze offers moeten juist ieder jaar opnieuw de gedachte aan de zonden levendig houden; 4 het is ook uitgesloten dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen. 5 Daarom zegt Hij dan ook, als Hij in de wereld komt: Slachtoffers en gaven hebt U niet gewild, 
maar U hebt voor Mij een lichaam bereid. 
6 Brandoffers en zoenoffers konden U niet behagen. 
7 Toen zei Ik: 
Hier ben Ik, 
Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen, 
zoals er in de boekrol over Mij geschreven staat. 
8 Eerst zegt Hij: Slachtoffers en gaven, brandoffers en zoenoffers hebt U niet gewild, die konden U niet behagen – hoewel de wet voorschrijft dat ze gebracht moeten worden.9 En dan zegt Hij: Hier ben Ik, Ik ben gekomen om uw wil te doen. Hij schaft dus het eerste af om het tweede te laten gelden. 10 Door die wil zijn wij geheiligd, eens en voorgoed, door het offer van het lichaam van Jezus Christus.

De brief gaat nu dieper in op de reddende waarde van het offer dat Jezus bracht, terwijl de traditionele offers enkel een rituele waarde hadden. Deze laatste waren slechts een “schaduw” van “de ware gedaante”, oftewel van de realiteit die moest komen: de Zoon van God die de mensen zodanig lief zou hebben dat Hij zijn leven zou geven om hen te redden, meer nog, om hen naar de volmaaktheid te leiden. De wet “kan onmogelijk door het jaarlijks opdragen van steeds weer dezelfde offers hen die eraan deelnemen tot volmaaktheid brengen”. De wet redt niet. Het volstaat niet om bepaalde rituele formules te herhalen om tot God te naderen en om je hart te veranderen. Met de komst van Jezus is de tijd van de “schaduw” van de wet voorbij, en treden we binnen in de “ware gedaante” van de redding: Jezus Christus is de Redder. Het lijkt wel alsof de auteur van de brief het juiste moment wil aanreiken waarop beslist wordt over onze redding. Voor hem bevindt dit moment zich in het mysterie zelf van God, in een ideaal gesprek tussen Vader en Zoon, dat leidt naar de vervulling van de redding. Deze redding was “als een schaduw” begonnen met de geschiedenis van Israël. Maar nu is het moment aangebroken waarop de Zoon de wereld binnentreedt en zegt: “Slachtoffers en gaven hebt U niet gewild, maar U hebt voor Mij een lichaam bereid… Toen zei Ik: Hier ben Ik, Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen”. Dit goddelijk gesprek toont duidelijk aan hoe de redding niet van de mens komt, en ook niet van zijn herhaalde offers. Onze redding is het werk van God en van zijn Zoon. De spirituele traditie van de kerk leert ons dat de gekruisigde Jezus tegelijkertijd slachtoffer en priester is. Onze redding ligt dus in de totale gehoorzaamheid van Christus aan de Vader, die haar hoogtepunt vindt bij de dood op het kruis. Hoe ontroerend is deze goddelijke dialoog, als de Zoon de Vader geruststelt: “Ik ben gekomen om uw wil te doen”. Hij weet goed dat het de wil van de Vader is om geen enkel van zijn kinderen verloren te doen gaan. De auteur van de brief besluit: “Door die wil zijn wij geheiligd, eens en voorgoed, door het offer van het lichaam van Jezus Christus”.

Gebed met Maria, moeder van God

Advertenties