Woensdag 23 januari

Gebed voor de eenheid van de christenen. Intentie voor de christelijke gemeenschappen in Afrika.

Heb 7, 1-3.15-17. Jezus en Melchisedek

Deze Melchisedek, koning van Salem, priester van de allerhoogste God, kwam Abraham tegemoet, toen hij de koningen verslagen had, en hij zegende hem; 2 en Abraham gaf hem van alles een tiende deel. De naam Melchisedek betekent in de eerste plaats ‘koning van gerechtigheid’; verder is hij ook nog koning van Salem, dat is ‘koning van de vrede’. 3 Hij heeft geen vader, geen moeder, geen stamboom, zijn leven heeft begin noch einde. Maar hij lijkt op de Zoon van God, hij blijft voor altijd priester. Dit wordt nog veel duidelijker, wanneer wij bedenken dat als evenbeeld van Melchisedek een nieuwe priester opstaat, 16 die niet op grond van een wettelijk vereiste afstamming priester is geworden, maar uit kracht van een onvergankelijk leven. 17 Want op Hem slaat het getuigenis: U bent priester voor eeuwig, op de wijze van Melchisedek.

Uit de tekst kunnen we afleiden dat de auteur Melchisedek belangrijker acht dan Abraham. Dit schrijft hij toe aan Melchisedeks priesterlijke waardigheid, terwijl Abraham hem van alles een tiende deel moest betalen. Melchisedek wordt dus gezien als een voorafspiegeling van Jezus, hun priesterschap ligt in dezelfde lijn. De auteur benadrukt dat het priesterschap van Jezus volmaakt is, “een hogepriester zoals wij nodig hadden: een die heilig is, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden van de zondaars, en hoog verheven boven de hemelen”. Noch de wet van Mozes, noch de afstamming van Levi konden de mensen tot zulk een “volmaaktheid” brengen. Daarom hebben we het vandaag niet langer nodig om het aantal priesters of bemiddelaars te vermenigvuldigen om tot bij God te geraken. Het is de nieuwe priester, Jezus Christus, die ons rechtstreeks tot bij God brengt. Jezus vestigt een nieuw en beter verbond dat voortaan het oude vervangt. En ook de offers moeten niet vermenigvuldigd worden, zoals dat gebeurde onder het Levitische priesterschap. Jezus heeft zijn offer gebracht eens en voor altijd: “Hij hoeft ook niet, zoals de hogepriesters, elke dag opnieuw eerst voor zijn eigen zonden offers op te dragen en daarna voor die van het volk, want dit heeft Hij eens en voorgoed gedaan, toen Hij zichzelf offerde”. Zijn priesterschap is substantieel van aard, en niet ritueel, want Jezus is priester geworden doorheen zijn persoonlijk offer: Hij heeft zichzelf geofferd als slachtoffer en is zo tot in de hemel gebracht, om zo tegelijkertijd altaar, slachtoffer en priester te worden, zoals de liturgie het zingt. Terwijl wij christenen ons verenigen in het offer dat bestaat uit Christus, of met andere woorden, terwijl wij altaar, slachtoffer en priester worden, treden wij in relatie met God. Dit is het heilig priestervolk waarover het Nieuw Testament schrijft, dat een spirituele cultus offert aan God, die Hem welgevallig is.

Gebed met de heiligen

Advertenties