Dinsdag 22 januari

Gebed voor de eenheid van de christenen. Intentie voor de protestantse kerken en gemeenschappen (lutherse, hervormde, methodisten, baptisten, pinkstergemeenten en evangelisten).

Heb 6, 10-20. Gods trouw aan zijn belofte

God is rechtvaardig; Hij kan niet vergeten wat u uit liefde voor zijn naam hebt gedaan, al de diensten die u de heiligen hebt bewezen en nog steeds bewijst. 11 Maar wij zouden wensen dat ieder van u dezelfde vurige ijver blijft tonen, totdat uw hoop geheel in vervulling is gegaan. 12 U mag niet lui worden, maar u moet een voorbeeld nemen aan hen die door geloof en geduld deel krijgen aan de beloften. 13 Toen God aan Abraham zijn belofte deed, zwoer Hij bij zichzelf, aangezien Hij niemand boven zich had om bij te zweren: 14 Ik zal u rijkelijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken. 15 Abraham heeft dan ook, na lang en geduldig wachten, gekregen wat hem beloofd was. 16 Mensen zweren bij een hogere macht, en de eed is voor hen de hoogste vorm van bevestiging, die alle tegenspraak moet uitsluiten. 17 En zo heeft God met een eed willen instaan voor zijn belofte, om de erfgenamen van de belofte nog duidelijker te tonen hoe onwrikbaar vast zijn besluit stond. 18 God heeft dus twee onherroepelijke daden gesteld die het Hem onmogelijk maken om ons te bedriegen; voor ons, die bij Hem onze toevlucht zoeken, zijn ze dan ook een krachtige aansporing om ons vast te klampen aan de hoop op wat voor ons ligt. 19 De hoop is het veilige en vaste anker voor onze ziel. Zij reikt tot achter het voorhangsel in het heiligdom, 20 waarin Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan, nu Hij voor eeuwig hogepriester is geworden op de wijze van Melchisedek.

De auteur van de brief roept de christenen in dit fragment op om te groeien in het begrip van het mysterie van Christus. Ook al weet de auteur maar al te goed dat ze lui zijn en dat ze te weinig luisteren, hij roept hen op om zich wat meer in te spannen. Hij stelt voor om “de eerste beginselen van de leer over Christus terzijde te laten” en wil niet nog eens “spreken over bekering van daden die tot de dood leiden” (1). Het is nu tijd geworden voor een diepgaander en verfijnder begrip. De auteur richt zich tot alle christenen, en met de strengheid van een herder vraagt hij ons om te verklaren hoe het kan dat “wij van de hemelse gave hebben geproefd en deel hebben gekregen aan de voortreffelijkheid van Gods woord en na dit alles afvallig zijn geworden” (4-6). Het lijkt hem onvatbaar dat we kunnen terugkeren naar ons oude leven. Dit zou betekenen dat we Christus zouden verloochenen en Hem opnieuw aan het kruis slaan. De auteur roept ons echter op om onze weg naar de volmaaktheid niet te onderbreken en om te blijven luisteren naar het woord van God. De leerling mag zich nooit losgekoppeld zien van het evangelie en moet steeds de inspanning blijven leveren om zijn eigen hart te veranderen. De auteur hoopt dat elke gelovige, ook de luiste, zou zijn als “grond die de neervallende regen in zich opneemt en bruikbaar gewas voortbreng”. Maar de leerling die zijn hart laat verharden wordt als “vervloekte grond die enkel distels en doorns voortbrengt”. Zijn lot is het vernietigende vuur van een vreselijk oordeel. Om de hoop van de christenen echter te versterken beschrijft de auteur ook de werken van geloof en van liefde die ze hebben verricht: “God is rechtvaardig; Hij kan niet vergeten wat u uit liefde voor zijn naam hebt gedaan”. Hij zal hen bovendien helpen. De gelovige heeft Abraham voor ogen, die geloofde in de belofte van de Heer, die hij bezegelde met een plechtige eed. Hij werd beloond met een talrijk nageslacht, na lang en geduldig wachten. Welnu, Jezus is nog meer dan Abraham: “Hij is ons als voorloper binnengegaan, achter het voorhangsel in het heiligdom”, en zo is “Hij voor eeuwig hogepriester geworden op de wijze van Melchisedek”.

Gebed met Maria, moeder van God  

Advertenties