Maandag 21 januari

Gebed voor de eenheid van de christenen. Intentie voor de Anglicaanse kerken.

Heb 5, 1-10. Jezus de hogepriester

Want elke hogepriester wordt genomen uit de mensen en aangesteld voor de mensen, om hen te vertegenwoordigen bij God, om gaven en offers op te dragen voor de zonden. 2 Hij is in staat onwetenden en dwalenden geduldig te verdragen, omdat hij ook zelf aan zwakheid onderhevig is; 3 daarom moet hij, als hij offers voor de zonden opdraagt, evengoed aan zichzelf denken als aan het volk. 4 En niemand kan zich die waardigheid aanmatigen; men moet evenals Aäron door God geroepen worden. 5 Zo heeft ook Christus niet zichzelf de eer van het hogepriesterschap toegekend; dat heeft God gedaan, die Hem zei: Mijn Zoon ben jij, Ik heb je vandaag verwekt. 6 Zoals Hij ook elders zegt: Jij bent priester voor eeuwig, op de wijze van Melchisedek. 7 In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en onder tranen gebeden en gesmeekt tot God, die Hem uit de dood kon redden. Na de doorstane angst is Hij verhoord. 8 Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd; 9 en toen Hij tot de voleinding was gekomen, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, oorzaak geworden van eeuwige redding, 10 door God uitgeroepen tot hogepriester op de wijze van Melchisedek.

De brief benadrukt hoe Jezus alle eigenschappen bezit uit de Bijbelse traditie om een hogepriester te zijn, en dus om voor God te staan “om gaven en offers op te dragen voor de zonden”. De hogepriester maakt deel uit van het volk, en is zich dus bewust van zijn eigen zwakte. Dat staat hem toe om medelijden te hebben met allen, en daarom een voorspreker te zijn voor de zonden van allen, met inbegrip van die van zichzelf. Met Jezus bevinden we ons echter op een ander niveau. Hij is een bijzondere hogepriester, want het is God zelf die Hem geroepen heeft. “Christus heeft niet zichzelf de eer van het hogepriesterschap toegekend”, maar het werd Hem toegekend door Hem die zei: “Mijn Zoon ben jij, Ik heb je vandaag verwekt”. Hij werd dus door God gekozen zoals Aäron. God ligt aan de bron van elke religieuze dimensie, en in Jezus heeft God het priesterlijk dienstwerk tot vervulling gebracht dat hij begonnen was met Aäron. Jezus heeft het priesterschap uitgeoefend vanaf zijn verblijf op aarde “in de dagen van zijn sterfelijk leven”, terwijl Hij “onder luid geroep en onder tranen gebeden en gesmeekt heeft tot God, die Hem uit de dood kon redden”. De auteur onderlijnt hoe onvoorwaardelijk de liefde van Jezus is voor ons: “hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd”. Het mysterie van de liefde vindt zijn ontstaan in het medelijden: Hij is onder ons gekomen om ons te redden. Zoals elke priester is Hij “genomen uit de mensen en aangesteld voor de mensen, om hen te vertegenwoordigen bij God, om gaven en offers op te dragen voor de zonden”. Hier gaat het om een heel bijzonder mysterie, want terwijl alle andere priesters, genomen uit de mensen, getekend zijn door de zonde, is Jezus hier immuun voor. Hij wordt een hogepriester aangeduid door God opdat wij bevrijd worden van onze zonden. Dit doet Hij omdat Hij ons liefheeft. Dit bijzondere medelijden van Jezus opent voor ons de hemelen.

Gebed voor de armen  

Advertenties