Zaterdag 19 januari

Gebed voor de eenheid van de christenen. Intentie voor de orthodoxe kerken.

Heb 4, 12-16. Het woord van God is scherper dan een tweesnijdend zwaard

Want het woord van God is levend en krachtig. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard en dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, van merg en beenderen. Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van het hart. 13 Geen schepsel is voor Hem verborgen, alles ligt open en bloot voor de ogen van Hem aan wie wij rekenschap hebben af te leggen. 14Nu wij een verheven hogepriester hebben, een die de hemelse sferen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten wij vasthouden aan onze belijdenis. 15 Want wij hebben een hogepriester die in staat is om mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde. 16 Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te vinden en zo hulp te krijgen op de juiste tijd.

De tekst die we zonet gelezen hebben, begint met de verheerlijking van het woord van God, dat het fundament is waarop ons geloof steunt. Het is geen woord dat ons vastbindt aan het verleden, dat enkel gebeurtenissen verhaalt die verankerd zijn in een historisch moment. Het woord van God – zo onderlijnt de auteur – “is levend en krachtig en scherper dan een tweesnijdend zwaard. Het dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, van merg en beenderen. Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van het hart”. Het woord van God is steeds operatief. Elk initiatief vertrekt van het woord. Het woord weet door te dringen tot in de diepte van onze ziel, het is in staat om ons hart te onderzoeken, om onze handelingen te verbeteren en om onze weg te verlichten. Het woord kent ons beter dan wij onszelf kennen. Daarom zijn we uitgenodigd om ons toe te vertrouwen aan het woord van God. Het zal ons helpen om ons eigen hart op een diepgaande manier te leren kennen, en het zal ons helpen om de gevoelens van God te leren kennen en ze tot de onze te maken. In het besluit van zijn toespraak tot de ouderen van Efeze zegt de apostel Paulus, die zich bewust is van de kracht van het woord: “En nu draag ik u op aan God en aan het woord van zijn genade, dat bij machte is om op te bouwen en het erfdeel te geven, met alle geheiligden” (Hnd 20, 32). In de Schrift is het immers God zelf die spreekt tot zijn kinderen, en Hij doet dit op een manier die verstaanbaar is voor iedereen. Daarom preciseert de auteur: “Geen schepsel is voor Hem verborgen, alles ligt open en bloot voor de ogen van Hem aan wie wij rekenschap hebben af te leggen”. Ons vertrouwen in God moet groot zijn. We hebben immers “een verheven hogepriester die de hemelse sferen is doorgegaan”. Deze titel werd eerder reeds toegekend aan Jezus (2, 17). Nu wordt dit nog verder verduidelijkt: Hij begrijpt ons perfect, want Hij werd zelf “op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde”. Hij heeft aan den lijve onze zwakheden ondervonden, maar toch misprijst Hij ons niet. Hij kent ons ‘van binnenuit’, en daarom is Hij gekomen om ons te bevrijden van onze vergankelijkheid. “Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade”, en we zullen niet enkel gehoor vinden, maar ook redding.

Gebed op de vigilie

Advertenties