Vrijdag 18 januari

Begin van de gebedsweek voor de eenheid van de christenen. Intentie voor de katholieke kerk.

Heb 4, 1-5.11. De rust van God en de kracht van zijn woord  

Daarom, zolang de belofte van het binnengaan in zijn rust nog geldt, moeten wij oprecht zorgen dat niemand van u de indruk wekt achter te blijven. 2 Want ook wij hebben het goede nieuws gehoord, net als zij. Maar het woord dat zij hoorden, heeft hun niet gebaat, omdat het niet gepaard ging met geloof bij de hoorders. 3 Want wij gaan die rust binnen, wij die tot het geloof gekomen zijn, zoals Hij gezegd heeft: En Ik heb gezworen in mijn toorn: Nooit zullen zij in mijn rust binnengaan. Weliswaar was Gods werk al klaar vanaf de schepping van de wereld. 4 Want over de zevende dag heeft Hij ergens gezegd: En God rustte op de zevende dag van al zijn werk. 11 Laten we dus ons best doen om die rust binnen te gaan. Laat niemand ten val komen door het slechte voorbeeld van hun ongehoorzaamheid na te volgen.

De auteur wil ons attent maken op een bekoring van de christenen. Deze bekoring is gelijkaardig aan die van de Israëlieten die aan de poorten van Kanaän staan, maar “achterblijven”, en dus het beloofde land niet binnengaan. Het is gemakkelijk om je niet te laten overstelpen door de liefde van God en je aan zijn omhelzing te onttrekken. En toch is juist dit het goede nieuws: Jezus komt ons tegemoet en heeft ons lief. Niet enkel ontneemt Hij ons niets, Hij geeft ons alles. Hij “blijft niet achter”, integendeel, Hij geeft zijn leven voor ons allen. En de “rust” die wordt voorgesteld aan de leerlingen is net deze liefdevolle omhelzing, een liefde en een eenheid die we allen ten volle kunnen beleven. De kerk heeft altijd de dag van de “rust” gekend, de “zevende dag”, wanneer God over allen heerst in liefde. De auteur van de brief heeft gelijk als hij de gelovigen oproept om met haast binnen te treden in die rust: “Laten we dus ons best doen om die rust binnen te gaan. Laat niemand ten val komen door het slechte voorbeeld van hun ongehoorzaamheid na te volgen” (11). De “rust binnentreden” betekent daarom deelnemen aan het leven van de gemeenschap. De band tussen “rust” en “huis” doet ons denken aan de gave die elke gelovige ontvangt wanneer hij wordt opgenomen in de christelijke gemeenschap waar hij wordt liefgehad. De eerbetuiging die de auteur brengt aan het woord van God verwijst naar het fundament waarop het huis wordt gebouwd. Het is een fundament dat blijvend is, maar dat tegelijkertijd ook leeft, want elke dag wordt het op een nieuwe manier gevestigd door de gemeenschap die luistert naar het woord. Het woord van God voedt de gelovigen steeds opnieuw op een andere manier, en het past zich aan aan elke spirituele fase van ons leven. Het woord ondersteunt ons en moedigt ons aan om het kwade te ontwortelen en om het goede op te bouwen. Daarom is de gelovige die zijn eigen hart wil doorgronden uitgenodigd om zich toe te vertrouwen aan het woord. Hij luistert naar dit woord en verlangt naar een leven van vrede en van redding voor zichzelf en voor de wereld. In de Schrift is het inderdaad God zelf die spreekt tot zijn volk. Dat volk zijn wij.

Gebed van het heilig kruis  

Advertenties