Dinsdag 15 Januari

Feest van de zwarte Christus van Esquipulas, in Guatemala, die in heel Centraal-Amerika wordt vereerd.

Heb 2, 5-12. Broeder van de mensen

Want God heeft niet aan engelen de heerschappij gegeven over de toekomstige wereld, waarover wij spreken. 
6 Veeleer heeft iemand ergens verklaard: 
Wat is de mens, dat U hem gedenkt, 
en het mensenkind, dat U voor hem zorgt? 
7 U hebt hem voor korte tijd beneden de engelen gesteld, 
U hebt hem met luister en eer gekroond, 
8 alles hebt U aan zijn macht onderworpen. 
Door alles aan Hem te onderwerpen, liet God niets over dat niet aan Hem zou zijn onderworpen. Nu zien we nog niet dat alles aan Hem is onderworpen. 
9 Maar wel zien we hoe Jezus, die voor korte tijd beneden de engelen was gesteld, met luister en eer gekroond is, omdat Hij de dood heeft doorstaan. Door Gods genade kwam zijn sterven aan allen ten goede. 10 Het was passend dat God, einde en oorsprong van alles, indien Hij vele kinderen de heerlijkheid wilde binnenleiden, ook de leidsman van hun redding door lijden tot de voleinding bracht. 11 Want Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben allen één Oorsprong; daarom schrikt Hij er ook niet voor terug om hen zijn broeders te noemen, wanneer Hij zegt: 12 Ik zal uw naam verkondigen aan mijn broeders 
en uw lof zingen midden in de gemeente; 

“Wat is de mens, dat U hem gedenkt, en het mensenkind, dat U voor hem zorgt?” De auteur van de brief citeert hier Psalm 8 om de gelovigen te herinneren aan de buitengewone liefde van God. Om het volk te redden uit de slavernij van het kwade en van de dood blijft God immers niet onbewogen toekijken, maar zendt Hij zijn eigen Zoon opdat hij hen redding brengt. Voor God tellen de mensen, Hij heeft ze lief. Het is deze liefde zonder grenzen waarmee Hij zijn “kinderen de heerlijkheid wil binnenleiden” (10) die God ertoe brengt om zijn Zoon naar de aarde te sturen. De Zoon – van zijn kant – is tot in de diepte van de mensheid neergedaald, tot in de afgrond waarin de mensen zich hebben laten vallen, om hen er één voor één uit te halen. Zo wordt Jezus “de leidsman van hun redding” (10), een ware ‘broer’, die niet verdraagt dat iemand achter blijft. Ook al is Hij de Zoon van de Almachtige, Hij heeft zich niet over ons geschaamd, over onze zonde, over onze armoede. Dit moet ons doen nadenken over hoe groot de liefde van God wel niet is: een liefde die onze zonde en onze afstand van Hem buiten proportie overstijgt. Het is een liefde die we haast niet kunnen vatten, en daarom heeft Jezus die taak op zich genomen. En de Vader die in de hemelen is, verzekert ons: “Ik zal uw naam verkondigen aan mijn broeders en uw lof zingen midden in de gemeente” (12). Met Pasen zegt Hij aan de vrouwen bij het graf: “Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan. Daar zullen ze Mij zien” (Mt 28, 10).


Gebed met Maria, moeder van God

Advertenties