Maandag 14 januari

Heb 1, 1-6. Verheven boven de engelen

Nadat God vroeger vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken had door de profeten, 2 heeft Hij nu, op het einde van de dagen, tot ons gesproken door de Zoon, die Hij tot erfgenaam gemaakt heeft van al wat bestaat, door wie Hij ook het heelal heeft geschapen. 3 Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen, en Hij houdt alles in stand door zijn machtig woord. En na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, heeft Hij zich neergezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge, 4 even hoog verheven boven de engelen als de naam, die zijn erfdeel is geworden, de hunne overtreft. Verheven boven de engelen
5 Want tegen welke engel heeft Hij ooit gezegd:
Mijn zoon ben jij,
Ik heb je vandaag verwekt?
Of:
Ik zal voor hem een vader zijn,
en hij zal voor Mij een zoon zijn?
6 Wanneer Hij evenwel de eerstgeborene opnieuw de wereld binnenleidt, zegt Hij:
Alle engelen van God moeten zich voor Hem neerwerpen.

De brief aan de Hebreeën beschrijft Jezus als de definitieve openbaring van God, en roept de gelovigen op om naar Hem te luisteren en Hem te volgen. De auteur geeft zeven citaten op rij weer uit het Oude Testament, en wil zo aantonen dat de Zoon de vervulling is van alle profetieën. Hij componeert zo een hymne ter verheerlijking van Jezus. Daarin beschrijft hij op een symbolische manier wat er gebeurd is in de hemel: de troonsbestijging van Jezus als de Heer van de geschiedenis en van de wereld, en hij beschrijft dit door te verwijzen naar de klassieke troonsbestijging van de oosterse vorsten. De ritus, die beschreven wordt als een ware liturgie, begint met de aanvaarding van de nieuwe koning door God de Vader die zegt: “Mijn zoon ben jij, Ik heb je vandaag verwekt”. Dan richt hij zich tot de hemelse hofhouding en zegt: “Ik zal voor Hem een Vader zijn, en Hij zal voor Mij een Zoon zijn”. Nadat ze hem hebben erkend als hun nieuwe koning, nodigt hij de groten van het rijk (de engelen) uit om zich aan de nieuwe koning te onderwerpen: “Alle engelen van God moeten zich voor Hem neerwerpen”. De Heer kent de macht over het rijk toe aan Christus, met de overhandiging van de scepter, de koninklijke zalving, en het bestijgen van de troon. Het is een koningschap dat geldt voor eeuwig, maar dat zijn vervulling zal vinden in de daden van God zelf, door de definitieve overwinning op de vijand, zoals dat beschreven staat in de psalmen: “Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden als een voetbank voor uw voeten heb gelegd”. De auteur benadrukt de urgentie waarmee de christelijke gemeenschap – op de proef gesteld door de krachten van het kwade en ten prooi aan twijfels over de overwinning van God – moet opgeroepen worden om tot het besef te komen van de kracht van Jezus die verrezen is, en die daardoor het kwaad en de dood overwonnen heeft.

Gebed voor de armen

Advertenties