Zondag 22 september

25ste zondag door het jaar

Am 8, 4-7; Ps 112; 1 Tim 2, 1-8; Lc 16, 1-13

Het evangelie vertelt over een rentmeester die zaken doet in de schemerzone tussen wat mag en wat niet mag. Jezus spreekt over een rentmeester die een groot bezit beheert en die bij de eigenaar op het matje geroepen wordt omdat hij zijn bevoegdheden te buiten was gegaan. En de bewijslast moet zo duidelijk geweest zijn dat de eigenaar beslist om hem op staande voet te ontslaan en hem nog slechts de tijd gunt om zijn boekhouding op orde te krijgen. Maar dan krijgt het verhaal een onverwachte wending. De rentmeester ziet zich voor een keuze waar geen van de alternatieven hem bevalt: bedelen of spitten. Om aan dit dilemma te ontsnappen bedenkt hij een plan van oplichterij. Hij laat de pachters van zijn heer bij zich komen, wint hen voor zijn corrupte plan en vermindert het bedrag van hun schulden. In ruil zullen zij hem, na zijn ontslag, in hun huis ontvangen. We zien hier een man die weinig scrupules heeft. Het besluit van de evangelist is dan ook verwonderlijk: “De heer prees de gewiekste aanpak van de onrechtvaardige rentmeester” (8). Wat hier als voorbeeld geprezen wordt, is de vaardigheid van de man om zijn redding te zoeken. Deze bekwaamheid, die zo velen aanwenden als het over alledaagse dingen gaat, wil Jezus optillen naar het niveau van de redding. Met andere woorden lijkt Jezus aan de toehoorders te zeggen: ‘Hoe bereikt die rentmeester zijn redding? Hoe hoeft hij niet te spitten of te bedelen? Hoe stelt hij zijn toekomst veilig?’ Het antwoord is: ‘Grootmoedig zijn tegenover de schuldenaars’. Inderdaad, zijn toekomst en zijn leven zelf hangen af van zijn grootmoedigheid. Daarmee bindt hij de schuldenaars aan zich. En Jezus vervolgt: “Maak je vrienden met behulp van de geldduivel; als die je dan ontvalt, zullen ze je ontvangen in de eeuwige tenten” (9).

Zich vrienden maken. Maar opgelet. Vriendschap koop je niet, je bouwt ze op met grootmoedigheid. Met een beschikbaar hart. Dat is de kern van de parabel van vandaag: de edelmoedigheid tegenover de schuldenaren – of de armen en de zwakken – redt ons leven en stelt onze toekomst veilig. Wees vrienden van de armen en je zult gered zijn. Dat is de gewiekstheid die het evangelie van ons vraagt.

Gebed op de dag des Heren

Advertenties

Zaterdag 21 september

Feest van de heilige Matteüs, apostel en evangelist

Vandaag viert de kerk de gedachtenis van Matteüs, apostel en evangelist. In het Hebreeuws werd hij Levi genoemd. Zijn beroep, belastingontvanger, werd als onterend beschouwd door zijn stadgenoten omdat hij belastingen inde voor een vreemde bezetter. Gewoonlijk waren tollenaars inhalig en bedrieglijk en persten ze meer af dan strikt gezien opeisbaar was. Deze tollenaar overkomt iets wat de mensen niet hadden verwacht en wat hen met verbijstering slaat. Jezus, op weg door Kafarnaüm, grensstad waar de tol dus een belangrijke rol speelde, ziet hem, en in plaats van voorbij te lopen en een misprijzende blik te werpen zoals de anderen doen, houdt Hij halt bij hem en zegt: “Volg Mij” (9). Deze twee woorden volstaan. Matteüs “stond op en volgde Hem”, vertelt hijzelf met nog een zweem van schaamte. Voor Jezus is geen enkele mens – wat ook zijn situatie mag zijn, al is die zelfs zo berucht als die van Matteüs – ongeschikt voor het evangelie. Wat voor Jezus telt, is niet de situatie waarin een mens verkeert, maar het hart waarmee hij de uitnodiging van het evangelie aanvaardt. En de uitnodiging van het evangelie aanvaarden is exact wat de tollenaar Matteüs doet. Ter plekke verandert zijn leven. Tot dan doe had hij zich enkel ingespannen om winst voor zichzelf te graaien. Maar vanaf het moment dat hij de Meester heeft horen spreken, volgt hij Hem. Dat was voor hem geen opoffering, in tegendeel, het was een feest. Hij begreep dat Jezus niet iemand roept om diens leven af te pakken of om het triestig te maken, maar juist om het deelachtig te maken aan de grote droom die Hij met de wereld heeft. En Matteüs is inderdaad zo blij met de uitnodiging om deze Meester te volgen dat hij onmiddellijk een maaltijd aanricht met Jezus en met zijn vrienden tollenaars en zondaars. Het is een vreemd banket, maar het is wel een voorafbeelding van het verbond tussen christenen en armen dat Jezus gepredikt en voorgeleefd heeft. Van dit moment af int Matteüs geen belastingen meer, maar is hij leerling en nodigt hij zondaars uit om feest te vieren rond Jezus. De wereld snapt niet wat er gebeurt, maar dit is juist de nieuwigheid van het evangelie die de meerderheid van streek brengt: alle mensen, niemand uitgesloten, kunnen in hun hart geraakt worden en hun leven veranderen, te beginnen bij de zondaars. Jezus legt het nog eens uit aan hen die niet wilden en niet willen verstaan: “Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel” (12). Er staat immers geschreven: “Barmhartigheid wil Ik en geen offer”.  Met het evangelie dat zijn naam draagt, brengt Matteüs ons de centrale plaats van het woord van God in herinnering: slechts twee woorden ervan, zoals in zijn geval, volstaan om het leven te veranderen. Laten wij dan luisteren, zoals Matteüs en de andere leerlingen van alle tijden deden, en laten wij ons ook op weg zetten om Jezus te volgen.

Gebed van de twaalf apostelen

Vrijdag 20 september

1 Tim 6, 2c-12. Het gevaar van de geldzucht

Zo moet u leren en vermanen. 3 Wie een afwijkende leer verkondigt en zich niet houdt aan de gezonde beginselen van onze Heer Jezus Christus en de leer van onze godsdienst, 4 is een verwaand mens, hoewel hij niets weet, maar een ziekelijke belangstelling heeft voor twistvragen en bekvechterij. Het resultaat hiervan is: afgunst, onenigheid, lasterpraat, achterdocht 5 en eindeloze discussies tussen mensen met een verwarde geest, die van de waarheid verstoken zijn en in de godsdienst een bron van inkomsten zien. 6 Nu brengt de godsdienst ongetwijfeld grote winst voor wie tevreden is met wat hij heeft. 7 Want wij hebben in deze wereld niets meegebracht en kunnen er ook niets uit meenemen. 8 Maar als wij voedsel en kleding hebben, moet dat genoeg zijn voor ons. 9 Zij die zich willen verrijken, komen in verleiding en raken verstrikt in allerlei dwaze en kwalijke begeerten, die een mens in verderf en ondergang storten. 10 Want de wortel van alle kwaad is geldzucht. Door zich daaraan over te geven zijn sommigen al van het geloof afgedwaald, en hebben zij zich gemarteld met kwellingen zonder tal. 11 U echter, man van God, moet hier ver van blijven. Streef naar gerechtigheid, vroomheid, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid. 12 Vecht voor de goede zaak van het geloof, grijp het eeuwig leven, waartoe u geroepen bent en waarover u de goede belijdenis hebt afgelegd, ten overstaan van vele getuigen.

Voor de derde keer waarschuwt de apostel Timoteüs voor hen die een afwijkende leer verkondigen (cf. 1, 3-20; 4, 1-11). Zij scheiden zich de facto af van de gemeenschap omdat ze zich niet aan de “gezonde beginselen” van de Heer houden, de enige dus die bron van redding zijn omdat ze de mens bevrijden van de dood en van de zonde. Wie zijn eigen hoogmoed laat zegevieren wordt er uiteindelijk slaaf van: hij ziet niets anders meer dan zichzelf. Dat is de betekenis van de verwaandheid waarover de apostel spreekt en die leidt tot “niets weten” en tot “een ziekelijke belangstelling voor twistvragen en bekvechterij” (4). Deze hoogmoedige en verwaande houding is niet onschadelijk, ze wordt nadelig voor de persoon in kwestie en voor de gemeenschap. De hoogmoed vernietigt de broederlijke liefde, die het hoogste goed moet zijn in de gemeenschap. De bittere vruchten van de hoogmoed zijn “afgunst, onenigheid, lasterpraat, achterdocht en eindeloze discussies”. Heftig trekt de apostel van leer tegen hen die in de godsdienst een bron van inkomsten zien. Want voor de ware leerling geldt het tegenovergestelde: “Een godsdienstig leven is in alle opzichten waardevol, want het houdt beloften in voor zowel dit leven als het toekomstige” (4, 8). Een leven dat gebaseerd is op het ware geloof in het evangelie is grote winst voor de huidige tijd en voor de eeuwigheid. Dat moet altijd gepaard gaan met mildheid en gematigdheid die ons bevrijden van geldzucht en ons tevreden doen zijn met wat God ons gegeven heeft. Om duidelijk te maken hoe wij het best met aardse goederen kunnen omgaan verwijst Paulus naar een gedachte die al vroeg in de Schrift opduikt: “Wij hebben niets in deze wereld meegebracht en kunnen er ook niets uit meenemen” (7). Dat is een uitspraak die een oude wijsheid in zich draagt, die de aardse goederen niet misprijst, maar die ze ook niet ophemelt met het gevaar er slaaf van te worden.

Gebed van het heilig kruis

Donderdag 19 september

1 Tim 4, 12-16. De voorbeeldigheid van de herder

Paulus wenst dat niemand Timoteüs misprijst om diens jeugdige leeftijd – hij was ongeveer 30 jaar en al van zijn dertiende bij hem. Het was niet denkbeeldig dat iemand hem om zijn jeugdige leeftijd niet ernstig zou nemen. En toch is het duidelijk dat gezag in de gemeenschap niet afhangt van de jaren, maar van de ontmoeting met de Heer en de bekering tot het evangelie. Daarom dat Paulus Timoteüs aanspoort om een voorbeeld te zijn ”door woord en gedrag, in liefde, in geloof en in zuiverhuid” (12). Deze geestelijke gesteldheid zal hem het nodige gezag geven om de gemeenschap in wijsheid te leiden. Paulus had al aangegeven dat het zijn bedoeling was om spoedig naar hem te komen (cf. 3, 14), maar in afwachting van zijn komst moet Timoteüs “zich wijden aan de voorlezing van de Schrift, de vermaning en het onderricht” (13). Maar om met gezag te spreken, om het evangelie in de prediking uit te leggen, is hulp van de Heer nodig. Paulus herinnert Timoteüs aan de “genadegave” die hij heeft ontvangen onder handoplegging van de apostel zelf en van de gezamenlijke oudsten. De apostel spoort hem aan: “Neem dit alles ter harte, ga er geheel in op” (15). Zo zal Timoteüs groeien in wijsheid en zal ook de kracht van zijn getuigenis toenemen en “zullen uw vorderingen voor allen zichtbaar zijn” (15). Paulus maant Timoteüs dus aan om zijn studie van de Schrift te verdiepen en haar elke dag te beleven. Zijn groei in de kennis van de Schriften en in de liefde van de Heer zullen hem het nodige gezag geven om de gemeenschap te leiden. Zijn redding en die van de gemeenschap hangt af van hoe hij zorg blijft besteden aan het onderricht, van hoe hij een goed voorbeeld zal zijn en het evangelie zal weten door te geven.

Gebed voor de kerk

Woensdag 18 september

1 Tim 3, 14-16. De kerk als het huis van God

Paulus wil spoedig naar Efeze toe om Timoteüs te ontmoeten. Maar hij weet ook dat de kans bestaat dat hij wordt opgehouden. Inmiddels wil hij hem nauwkeurige richtlijnen sturen voor de organisatie van de kerk, het gemeenschappelijk gebed (cf. 2, 1-15) en de keuze van de bedienaars van de eredienst (cf. 3, 1-13). De zorg voor de gemeenschap is een constante in Paulus’ gedachten. Altijd denkt hij aan de gemeenschap, ook al is hij fysiek ver van haar verwijderd. En als Paulus aan Timoteüs schrijft, is hij in gedachten ook bij de andere gemeenschappen in Klein-Azië: dat ze stevig mogen zijn en niet het gevaar lopen om door de wereld geabsorbeerd te worden. Daarom dat hij schrijft dat de kerk “de pijler en de grondslag van de waarheid” (15) is, gegrondvest door God in deze wereld, zichtbaar voor alle mensen, openbaring van God. Het centrum van deze geopenbaarde waarheid is “het geheim van onze godsdienst” (16), te weten de persoon zelf van Jezus Christus, de medelijdende, de zachtmoedige en de nederige van hart. In zes korte verzen bezingt Paulus dit geheim, misschien een hymne die destijds in de liturgie van de kerk gezongen werd. Het mysterie van Christus wordt voorgesteld in drie tegenstellingen. De eerste – vlees en Geest – stelt de menselijke en tegelijkertijd goddelijke natuur van Christus voor; tegenover de openbaring van Jezus in het vlees wordt de rechtvaardiging in de Geest gezet, ‘t is te zeggen de verrijzenis die de dood heeft overwonnen: door het werk van de Geest verklaart de Vader tegenover allen dat Jezus, aan het kruis veroordeeld als een misdadiger, de “heilige en rechtvaardige” (Hnd 3, 14) is. De tweede tegenstelling – “verschenen aan de engelen” en “verkondigd onder de volken” – verwijst naar de overwinning van Christus die ten hemel gestegen is en die de heerser over de geschiedenis is, niet beperkt dus tot een geschiedkundige periode of tot een bepaald volk. Met de derde tegenstelling – “geloofd in de wereld” en “opgenomen in heerlijkheid” – bezingt Paulus de overwinning van Christus die is opgestegen en verheerlijkt is aan de rechterhand van de Vader en bevestigt hij dat “het geheim van onze godsdienst ongetwijfeld groot is”, een geheim dat door Jezus is toevertrouwd aan de kerk en aan elke gelovige. Dit geheim moet de kerk in elke tijd beleven en belijden, want de wereld heeft er, net zoals elke individuele mens, nood aan.

Gebed met de heiligen

Dinsdag 17 september

1 Tim 3, 1-13. Leiders en diakens

Nadat hij het gehad heeft over het gemeenschappelijk gebed richt de apostel Timoteüs’ aandacht op de zorg in het kiezen van verantwoordelijken van de gemeenschap. Om te beginnen spreekt hij over de leider (episkopos, letterlijk vertaald als opziener). Dit dienstwerk is voor Paulus “een voortreffelijke taak” (1). De leider moet diegene zijn onder de leerlingen die dient, zoals Jezus het heeft voorgeleefd tijdens het laatste avondmaal. Dat er iemand met deze taak is, doet geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid van elke leerling voor het leven van de broers en zussen De geest van broederlijkheid moet immers in elke gemeenschap heersen. Van de episkopos wordt gevraagd dat hij zich bewust is van zijn verantwoordelijkheid als gids. Het gezag in de kerk komt voort uit de voorbeeldigheid van het leven: daarop berust het gezag van wie leiding geeft aan de broers en zussen. Daarom legt Paulus er de nadruk op dat deze leider “de man van één vrouw” moet zijn, als om de trouw te onderlijnen aan een unieke band. Voor het overige moet hij matig zijn en wijsheid aan de dag leggen in zijn oordeel en in zijn beslissingen. En hij moet gastvrij zijn. Paulus benadrukt de gelijkenis die er is tussen de familie van God en de huiselijke familie en verlangt van de episkopos dezelfde ingesteldheid als die van een pater familias: enkel wie vader weet te zijn, en tegelijk broer en kind, in de geest van het evangelie, zal de juiste weg van christelijke broederlijkheid kunnen wijzen aan de broers en zussen van de gemeenschap. Naast het ambt van episkopos verwijst Paulus ook naar dat van diaken, dat gevoelig lag in het leven van de eerste christelijke gemeenschappen. Enkel als zij bewezen hebben dat hun gedrag onberispelijk is, kunnen ze gekozen worden om deze dienst te vervullen. En ze moeten “met een zuiver geweten trouw aan het geheim van het geloof” (9) zijn om de armen te kunnen bijstaan, te prediken en te dopen. Geen enkel bederf zoals hoogmoed en zelfzucht mag een smet werpen op zijn “dienaarschap” dat het wezen is van het diakonaat. De diakens leggen er dus getuigenis van af, aan de leider en aan alle gelovigen, dat het leven van een leerling altijd ‘diakonaal’ hoort te zijn, ‘t is te zeggen dienstbaar aan het evangelie, aan de gemeenschap en aan de armen.

Gebed met Maria, moeder van God

Maandag 16 septemner

1 Tim 2, 1-8. Gebed voor alle mensen, in het bijzonder voor hen die gezag dragen

De apostel vraagt Timoteüs “allereerst” om gebed. Het gebed is het eerste werk van de gelovige. In het bijzonder het gemeenschappelijk gebed. De vier vormen van gebed die hier worden aangehaald – gebeden, smekingen, voorbeden en dankzeggingen – tonen de rijkdom aan van het smeekgebed van de gemeenschap. De horizon van het christelijk gebed kent geen grenzen en strekt zich uit over de hele mensheid. De christenen drukken ook in hun gebed de universaliteit van het evangelie uit. Net zoals ze geroepen zijn om alle mensen tegemoet te treden, zonder grenzen of beperkingen van cultuur, etnie of verwantschap, zo is ook hun gebed gericht op de hele wereld. In hun gebed wordt de geografie van de vrienden, van de vragen, van de angsten, van de problemen, van de lofbetuigingen en van de dankzegging van de hele wereld opgenomen. Dit gebed roept op tot een liefde die de beperkingen in tijd, ruimte en individualiteit overstijgt: het sluit werkelijk niemand uit. Net zoals God alle mensen omhelst en “zijn zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (Mt 5, 45), bidt de christelijke gemeenschap voor allen. Meer nog, er is een dienstwerk voor de gemeenschap weggelegd in het gebed voor de hele mensenfamilie opdat het leven van allen “ongestoord en rustig” zou zijn. Zo breidt Paulus het terrein van het gebed uit tot de hele wereld en tot de vrede. Het is een taak die de kerk is toevertrouwd en die losstaat van de houding van de burgerlijke overheden. Niet voor niets benadrukt de apostel dat het gebed voor alle mensen, met inbegrip van “koningen en alle hooggeplaatsten”  (2) “goed en welgevallig is in de ogen van God, onze redder, die wil dat alle mensen gered worden” (3). Het gebed in de naam van Jezus, dat wie bidt met God verbindt, is doeltreffend. Deze band met Jezus maakt het gebed van de kerk werkelijk ‘katholiek’. Dit dienstwerk vertrouwt Paulus aan Timoteüs en aan elke leerling van elke tijd toe. Zo wordt het gebed broederlijke verbondenheid en liefde tussen de christelijke gemeenschappen, verspreid in de hele wereld, en hun eerste dienstwerk voor de redding van allen.

Gebed voor de armen