Zondag 15 december

3de zondag van de advent
Gedachtenis van Gigi, kind van Napels, gewelddadig gestorven in 1983. Met hem herinneren we ons alle kinderen die lijden of die gestorven zijn door het geweld van mensen. Gebed voor de kinderen.

Jesaja 35, 1-6a.10; Psalm 146; Jakobus 5, 7-10; Matteüs 11, 2-11

Het woord van God dat op deze derde zondag van de advent tot ons wordt gericht nodigt allen die in de woestijn van deze wereld wonen uit om zich te verheugen, want zij ontvangen een belofte: “Men zal de glorie van de Heer zien, de luister van onze God”. De profeet opent de ogen van zijn toehoorders, overstijgt de droefheid en de berusting van deze wereld en nodigt allen uit om de komst van God te verhopen en te verwachten.
Johannes, die ons niet toevallig in deze tijd op weg naar Kerstmis begeleidt, stuurt zijn leerlingen naar Jezus om Hem te vragen: “Bent U het die komen zou, of hebben we een ander te verwachten?”. Dat is de vraag van deze advent, maar het is ook de dagelijkse vraag van de gelovige en van al wie zich het lot van deze wereld aantrekt. Op deze zondag vragen ook wij ons af: wat voor advent is het, wanneer en hoe zal de profetie van Jesaja vervuld worden? Wij vragen dit aan het woord van de Heer, zoals die leerlingen van Johannes het aan Jezus vroegen. De evangelist schrijft dat de leerlingen van Johannes werden ontvangen door de profeet van Nazaret, die hun het duidelijke antwoord gaf: “Ga Johannes vertellen wat u hoort en ziet: blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden rein en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd”. Terwijl Jezus de woorden van de profeet Jesaja herneemt, stuurt Hij de leerlingen naar Johannes om te zeggen dat die profetie reeds vervuld is. Ze is niet langer enkel een droom, ze is nu al werkelijkheid.
Door zijn persoon die zich onder de mensen begeeft begint de profetie van Jesaja in vervulling te gaan. En Jezus voegt eraan toe: “Gelukkig degene die geen aanstoot aan Mij neemt”. In Hem wordt het plan van God vervuld, niet in het buitengewone of wonderbaarlijke of in magische esoterie, maar in de eenvoud van de barmhartigheid en van het medelijden. Het is aan alle generaties van christenen, ook aan de onze, om de tekenen zichtbaar te maken die Jezus heeft gedaan als begin van een nieuwe wereld. Ook wij zouden kunnen zeggen aan wie ons ondervraagt: “Ga vertellen wat je hoort en ziet”. De tekenen van deze verwachting zijn ook vandaag aanwezig. Er zijn mensen die het evangelie gaan verkondigen aan de armen, er zijn mensen die wonderen van liefde en van rechtvaardigheid verrichten en die getuigenis afleggen van de barmhartigheid van God. Er zijn mensen die zichzelf vergeten en zich ten dienste stellen van de zwaksten en de armsten. Er zijn blinden die liefdevolle vrienden aan hun zijde weten. Er zijn mensen die troost weten te brengen aan wie weent en die zachtmoedig en attent weten te zijn voor wie ziek is en in de steek gelaten.
Gelukkig degene die deze tekenen opvangt en er zijn hart door laat raken. Jezus is gekomen en leert ons om met Hem op weg te gaan, om met Hem mee te werken, om samen met Hem lief te hebben, om ons samen met Hem te laten ontroeren bij het aanschouwen van die uitgeputte menigten die Hij op zijn weg ontmoet. Hij leert ons in deze tijd van verwachting om niet te wanhopen, en om ons hart niet te sluiten omdat we vandaag niet verder zien dan onze beperkte horizon of omdat we hoogmoedig zijn of berusten. “Kom, Heer Jezus!” was het aloude gebed van de christenen. Het is ook ons gebed dat ons bevrijdt van de trieste aantrekkingskracht van de woestijn van deze wereld.

Gebed op de dag des Heren

Zaterdag 14 december

Jezus Sirach 48, 1-4.9-11b. Elia zal terugkeren

1 Toen stond Elia op, een profeet als een vuur,
en zijn woord brandde als een fakkel.
2 Hij bracht hongersnood over hen
en door zijn ijver verminderde hij hun aantal.
3 Naar het woord van de Heer sloot hij de hemel
en bracht hij driemaal vuur naar beneden.
4 Wat hebt u een roem verworven, Elia,
door uw wonderdaden!
Wie kan u evenaren?

9 U bent opgenomen in een wervelstorm,
hemelwaarts in menigten van vuur.
10 Over u staat geschreven
dat u klaar staat voor de vastgestelde tijd,
om de toorn te stillen voordat hij gaat branden,
om de harten van de vaders naar de zonen te keren
en de stammen van Jakob te herstellen.
11 Gelukkig zijn degenen die u gezien hebben en overleden zijn,
maar gelukkiger bent u, omdat u leeft.

In het hart van onze weg van de advent presenteert de liturgie ons nu een tekst uit de Wijsheid van Jezus Sirach. Die wordt hernomen in de tekst van het evangelie van vandaag (Mt 17, 10-13). Terwijl Jezus na de gedaanteverandering van de berg afdaalt, spreekt Hij over de traditie die de grote profeet Elia beschouwt als voorloper van de Messias. Jezus bevestigt dat Elia al is gekomen, doelend op Johannes de Doper. Jezus Sirach schrijft: “Toen stond Elia op, een profeet als een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel”. Het volk van God had zijn eigen hart verhard en was halsstarrig in zijn gedrag dat veraf stond van het verbond met de Heer. Het is een gebeurtenis die niet alleen betrekking heeft op het oude Israël. Het heeft ook betrekking op ons. De Heer blijft ook tot ons spreken – op elk moment van de geschiedenis en van het leven. We moeten ons afvragen waarom we ons hart niet laten raken door de woorden van de Heer, die ons steeds op nieuwe dingen wijst. Als we met geloof naar het woord van God luisteren, zullen we ontdekken dat het ons zijn droom steeds verder onthult. De heilige Johannes XXIII zei het goed tegen degenen die hem bekritiseerden om zijn profetische blik: “Het is niet het evangelie dat verandert, maar wij zijn het die het beter begrijpen”. Als het evangelie ons niet meer verrast, als het geen verandering in ons hart teweegbrengt, dan is dit omdat ons hart verhard is in zelfverzekerdheid, al is het misschien nog zo getekend door religieuze gewoontes. Zo verliezen we de kans om ons te verbazen over de buitengewone nieuwheid van het leven die het woord met zich meebrengt. Elia is het woord van God dat de Heer in deze tijd, die grote veranderingen nodig heeft, op nieuwe wijze in onze oren laat klinken. De verkondiging die wij in deze tijd ontvangen, laat nog steeds “driemaal vuur” neerdalen in het hart van de mensen. Of is er geen vuur dat oplaait om “de harten van de vaders naar de zonen te keren”? Dit is het vuur dat wordt aangestoken door de verkondiging van het evangelie, in de verkondiging van paus Franciscus. En gelukkig zijn wij als we ons laten meenemen door dit vuur van de profetie: elke verscheurdheid zal worden genezen en de broederlijkheid zal worden hersteld.

Gebed op de vigilie

Vrijdag 13 december

Jesaja 48, 17-19. Had u maar geluisterd naar mijn geboden!

17 Zo spreekt de heer, uw verlosser, de Heilige van Israël:
‘Ik ben de heer uw God.
Ik onderricht u om te helpen,
en leid u op de wegen die u gaat.
18 Had u maar geluisterd naar mijn geboden,
dan was uw vrede als een rivier geweest,
en uw welzijn als de golven van de zee;
19 uw kinderen zouden als het zand geweest zijn
en uw nakomelingen als de korrels ervan.
Uw naam zal voor mijn ogen niet uitgewist of vernietigd worden.’

De profeet herinnert het volk Israël, dat zo gemakkelijk ten prooi valt aan de verleiding om zich van de Heer af te keren om andere wegen te zoeken, dat het God – en God alleen – is die hen leidt op de weg van het heil. Net als Israël toen kennen wij allemaal de ervaring hoe zwaar het leven is als we van God verwijderd leven. De eersten om dat te ervaren zijn de meest kwetsbaren, de armen, die de bittere prijs betalen dat zij worden afgedankt en in de steek gelaten in de marges van het leven. De profeet vraagt ons om onze blik op te heffen, weg van onszelf en om ons bewust te worden van de Heer en zijn grote liefde voor ons. God is dicht bij zijn volk, Hij vergezelt het en Hij vraagt om erkend en bemind te worden. Als we eraan gewend geraken om te leven zonder besef van Gods aanwezigheid wordt het gemakkelijk om ons te laten meeslepen naar een grijs en zinloos leven. Wij moeten teruggaan om te luisteren en om de aanwezigheid van de Heer in onze dagen, in onze gemeenschappen, in onze samenleving te zien, en de Heer onze stappen laten leiden: Hij zal ze leiden op de weg van de liefde en de vrede. Door zijn woord dat niet ophoudt om ons te zenden blijft de Heer tot ons spreken om in onze dagen zijn weg te leren kennen: “Ik ben de Heer uw God. Ik onderricht u om te helpen, en leid u op de wegen die u gaat”. De trouw in het luisteren naar zijn woord – dat in deze advent met buitengewone overvloed tot ons wordt gericht – is een zegen voor ons leven.

Gebed van het heilig kruis

Donderdag 12 december

Gedachtenis van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe, in Mexico. Gedachtenis van Filomena, oudere van Trastevere in Rome, gestorven in een instelling in 1976. Met haar denken we aan alle ouderen, in het bijzonder aan degenen die alleen zijn of in een instelling wonen.

Jesaja 41, 13-20. Ik ben uw redder

13 Want Ik, de heer, Ik ben uw God,
die u vasthoudt bij uw rechterhand,
die tegen u zegt: ‘Wees niet bang,
Ik sta u bij.’
14 Wees niet bang, wormen van Jakob,
mensen van Israël.
Ik sta u bij – godsspraak van de heer –
uw verlosser, de Heilige van Israël.
15 Zie, Ik maak u tot een dorswagen,
nieuw, scherp, met dubbele snede;
u zult bergen dorsen en verpulveren,
en heuvels behandelen als kaf.
16 U zult ze verspreiden, de wind draagt ze weg, en de storm verstrooit ze;
maar u zult juichen om de heer,
u zult zich beroemen op de Heilige van Israël.

17 Armen en misdeelden zoeken water en het is er niet,
hun tong is door dorst verdroogd.
Ik, de heer, zal hen verhoren;
Ik, de God van Israël, verlaat hen niet.
18 Op kale plekken laat Ik beken ontspringen,
en bronnen midden in de vlakten.
Van de woestijn maak Ik een waterplas,
het dorre land in de woestijn wordt een waterader.
19 Ik plant ceder en acacia,
mirte en olijf;
Ik zal in het dorre land cypressen zetten,
olmen en buksbomen, alles bijeen.
20 Zo zal men inzien en erkennen,
ter harte nemen en begrijpen, eensgezind,
dat de hand van de heer dit heeft gedaan,
dat Israëls Heilige het geschapen heeft.

In het bijzonder op moeilijke momenten is het gemakkelijk om de liefde en de barmhartigheid van de Heer te vergeten en toe te geven aan angst en moedeloosheid. In een tijd van globalisering lijkt de angst dieper en groter te worden: de wereld lijkt ons te groot en buiten proporties. Het is moeilijker geworden om de wereld te begrijpen en te besturen. En bij de angst komt de woede. We leven in een tijd en een wereld waarin de angst en de woede elkaar steunen en een klimaat van malaise en conflict creëren. Het woord van de profeet roept ons opnieuw op om ons bewust te worden van de aanwezigheid van God in deze onbegrensde wereld: “Wees niet bang, Ik sta u bij”. De uitnodiging wordt meerdere malen herhaald, als het ware om die deur van de angst te forceren die ons verhindert om de liefde te zien waarmee wij worden begeleid. Hoe vaak herhaalt Jezus ook in de evangeliën dat we op Hem moeten vertrouwen en geen angst hoeven te hebben? De Heer is de steun van zijn volk, verkwikking voor de armen, bevrijder van de gevangenen. En als het waar is dat “armen en misdeelden water zoeken en het is er niet, hun tong door dorst is verdroogd”, dan is het nog meer waar dat de Heer hun haastig te hulp komt. De profeet spreekt over de nieuwe uittocht van het volk Israël uit de Babylonische ballingschap: het zal een bevrijding zijn nog dieper dan de eerste, toen Hij hen liet wegtrekken uit Egypte. Als het volk Israël gedurende de tocht in de woestijn na die eerste bevrijding wordt gelaafd met water dat uit een rots stroomt, dan zal de Heer nu de hele woestijn veranderen in “een waterplas, het dorre land in de woestijn wordt een waterader”. Het is de liefde van de Heer die steeds grotere wondertekenen verricht voor zijn volk, een liefde die haar hoogtepunt bereikt met Jezus, die niet alleen uit de hemel neerdaalt om bij ons te zijn, maar die zelfs zijn leven heeft gegeven om ons te redden van de zonde en de dood. Aan ons wordt gevraagd – zo schrijft de profeet – dat wij deze liefde “inzien en erkennen” en ons hart erdoor laten raken.

Gebed voor de kerk

Woensdag 11 december

Jesaja 40, 25-31. De Heer geeft de vermoeide kracht

25 ‘Met wie wilt u Mij vergelijken,
met wie kunt u Mij gelijkstellen?’ zegt de Heilige.
26 Sla uw ogen op naar omhoog en kijk: wie heeft dat alles geschapen?
Hij die hun legertroepen voltallig laat uitrukken en ze allemaal bij naam roept;
zó groot is zijn macht, zó geweldig zijn kracht, dat er niet één ontbreekt.
27 Waarom zegt u, Jakob, en u, Israël:
‘Mijn weg is verborgen voor de heer,
en wat mijn recht is, ontgaat mijn God.’
28 Weet u het niet of hebt u het niet gehoord?
De heer is een God van eeuwigheid,
Hij heeft de verste hoeken van de aarde geschapen.
Hij wordt niet moe noch uitgeput, zijn inzicht is niet te doorgronden.
29 Hij geeft de vermoeide weer kracht,
en de onvermogende een overvloed aan macht.
30 Ook wie jong, is wordt moe en raakt uitgeput,
en jonge mannen kunnen zeker bezwijken,
31 maar zij die hopen op de heer, vernieuwen hun kracht
en slaan hun vleugels uit als adelaars;
zij lopen en worden niet moe,
zij rennen en raken niet uitgeput.

 

Vaak in ons leven verliezen wij de waarheid over onszelf en de geschiedenis uit het oog: de trots en de dwaasheid verblinden ons en verhinderen ons om de zwakke staat van ons leven te zien. En we vertrouwen erop dat we het heil in onszelf kunnen vinden of in de ‘afgoden’ zoals rijkdom, carrière en persoonlijk welzijn. De profeet nodigt Israël uit om om zich heen te kijken en de volkeren van de aarde te zien – ook diegene die sterk en onwankelbaar lijken – om hun zwakheid te beseffen. De profeet roept op om de blik op te richten om de kracht te zien van de liefde van God die alles geschapen heeft en alles ondersteunt. Onze kracht is in de Heer. Deze spirituele blik – vrucht van het gebed en het luisteren naar Gods woord – reinigt de ogen van ons hart en bevrijdt ons van ons vertrouwen in afgoden. En laten we nooit vergeten dat de eerste afgod die wij allen geneigd zijn te vereren ons eigen ik is. Sommigen spreken over ‘egolatrie’: de cultus van het ik op wiens altaar we zelfs de mooiste dingen offeren, zozeer verblindt het ons. Met een hele reeks vragen laat de profeet het besef van God en zijn grootheid ontwaken. Alleen de Heer is groot en Hij alleen regeert de wereld en de geschiedenis. Wie zich toevertrouwt aan de Heer ontvangt hulp en troost, steun en kracht. Allen, jong en oud, worden wij aangespoord om alleen op de Heer te vertrouwen: “Zij die hopen op de Heer, vernieuwen hun kracht en slaan hun vleugels uit als adelaars; zij lopen en worden niet moe, zij rennen en raken niet uitgeput”. Hij, de Schepper van hemel en aarde, van wat zichtbaar en onzichtbaar is, is onze steun en onze hulp. Laten we in de vermoeidheid van het leven niet wanhopen, laten we ons liever toevertrouwen aan de Heer, en we zullen met vernieuwde kracht zijn gezelschap opzoeken.

Gebed met de heiligen

Dinsdag 10 december

Jesaja 40, 1-11. De troost van Jeruzalem

1 ‘Troost, troost mijn volk’, zegt uw God.
2 ‘Spreek tot het hart van Jeruzalem
en roep het toe dat zijn diensttijd voorbij is,
dat zijn schuld is voldaan,
dat het uit de hand van de heer een dubbele straf voor al zijn zonden ontvangen heeft.’
3 Luister, iemand roept:
‘Bereid de heer een weg in de woestijn,
in het dorre land, een rechte baan voor onze God.
4 Elk dal moet worden opgehoogd,
en elke berg en heuvel moet worden afgegraven;
oneffen plekken moeten vlak gemaakt worden
en ruige gronden worden een vlakte.
5 De heerlijkheid van de heer zal zich openbaren, en alle mensen zullen haar zien,
want de mond van de heer heeft gesproken.’
6 Luister, iemand zegt: ‘Roep!’
En ik zeg: ‘Wat zal ik roepen?’
‘Alle mensen zijn gras
en hun trouw is niets dan een veldbloem.
7 Het gras verdort, de bloem verwelkt
wanneer de adem van de heer erover waait;
zeker, dit volk is gras!
8 Het gras verdort, de bloem verwelkt,
maar het woord van onze God houdt in eeuwigheid stand.’
9 Klim op een hoge berg, met uw boodschap van vreugde, Sion,
verhef met kracht uw stem, Jeruzalem, bode van vreugde, verhef haar, en wees niet bang.
Zeg tegen de steden van Juda: ‘Hier is uw God.’
10 Hier is de Heer god. Hij komt in kracht; de heerschappij is in zijn hand;
kijk, zijn loon draagt Hij met zich mee, en zijn werk gaat voor Hem uit.
11 Als een herder zal Hij zijn kudde weiden;
in zijn arm brengt Hij de lammeren samen
en Hij draagt ze aan zijn borst
terwijl Hij de ooien leidt.

De profeet Jesaja laat zich niet grijpen door de berusting en de ontmoediging vanwege de ballingschap. Geïnspireerd door de Geest van God spreekt hij woorden van troost voor het volk. Terwijl hij uitnodigt tot bezinning op de zwakheid en kwetsbaarheid van het leven, roept hij de gelovigen op om hun blik te wenden naar de Heer, die op het punt staat om hen te hulp te komen. We moeten dringend de weg effenen in de woestijn zodat de Heer kan komen. Voor ons is de woestijn die van ons hart en van de banden tussen mensen die nu als een woestijn zijn geworden, doordat ze liefdeloos en dus levenloos zijn. God komt niet op aarde buiten ons hart om, buiten de verhoudingen tussen mensen en volkeren om. Hij komt om ons hart te bevrijden van het kwaad en van de slavernij van de zonde om de liefde te laten herleven, om vruchten te geven van vrede en gerechtigheid. Als het woord van God ons hart bereikt, laat het het weer bloeien. De Heer vraagt de profeet om zijn volk te troosten, dat wil zeggen om zo tot het volk te spreken dat het weer gaat hopen. Hij vraagt de profeet om iedereen te troosten. Daarom zegt Hij hem: “Klim op een hoge berg, met uw boodschap van vreugde, Sion, verhef met kracht uw stem, Jeruzalem”. De Heer komt als een sterke herder die zijn schapen kent, bij name roept, verzamelt, buiten de woestijn brengt en naar grazige weiden leidt. De christelijke gemeenschappen en de individuele gelovigen, wij allen worden in deze advent uitgenodigd om het woord te ontvangen dat ons wordt verkondigd: ons hart zal bloeien van goede gevoelens en we zullen de woestijn van onze steden zien toenemen in liefde en vrede.

Gebed met Maria, moeder van God

Maandag 9 december

Jesaja 35, 1-10. De Heer zoeken

1 Laat de woestijn en het dorre land zich verheugen,
de wildernis jubelen en bloeien,
2 weelderig bloeien als de krokus; laat haar uitbundig juichen en jubelen.
Zij wordt getooid met de glorie van de Libanon, de luister van Karmel en Saron.
Dan zal men de glorie van de heer zien, de luister van onze God.
3 Geef de zwakke handen weer kracht,
maak de bevende knieën sterk.
4 Zeg tegen iedereen die radeloos is:
‘Houd moed, wees niet bang, hier is uw God,
Hij brengt de wraak mee, de goddelijke vergelding, Hij komt u redden.’
5 Dan worden de ogen van de blinden geopend en de oren van de doven geopend.
6 Dan danst de kreupele als een hert en juicht de tong van de stomme.
En water welt op in de woestijn, rivieren in het dorre land.
7 Het verschroeide land wordt een meer,
de dorstige grond een waterrijke fontein.
Op de plaats waar jakhalzen lagen, groeien dan riet en papyrus.
8 Daar komt een gebaande weg die de heilige weg zal heten.
Geen onreine zal die betreden, die gaat zijn eigen weg, geen dwazen dwalen er rond.
9 Leeuwen zijn er niet en wilde dieren zullen niet op die weg lopen,
ze zijn daar niet meer te vinden;
alleen verlosten bewandelen die.
10 De verlosten van de heer keren terug;
met gejubel zullen zij Sion binnenkomen,
hun hoofd met eeuwige vreugde gekroond.
Blijdschap en vreugde zullen hun tegemoetkomen,
droefheid en gezucht zullen wegvluchten.

Hoofdstuk 35 van het boek Jesaja sluit met een vreugdelied de profetische woorden af die gericht zijn tot Jeruzalem en Juda. Waarom je verheugen in een moeilijke tijd? Het is gemakkelijker om te berusten, slappe handen en knikkende knieën te hebben, zoals wie niet gelooft dat hij nog nuttig kan zijn om een betere toekomst te bouwen, zoals wie radeloos is. Zo vele ouderen, zo vele kwetsbare en arme mensen voelen de last van nutteloos te zijn! Maar de Heer laat zijn volk niet in de steek, Hij wil niet dat de berusting overwint. Zijn woord nodigt uit tot hoop, vraagt om naar de toekomst te kijken en naar de werken die God nog kan volbrengen. Niet alles ligt in onze handen, maar wij kunnen wel bijdragen om de wereld beter te maken als we naar de Heer luisteren, als we geloven in het wonder van zijn woord dat de geschiedenis verandert, als het wordt ontvangen: “Zeg tegen iedereen die radeloos is: ‘Houd moed, wees niet bang, hier is uw God’”. Zijn woord verandert de mensen en de geschiedenis: “Dan worden de ogen van de blinden geopend en de oren van de doven geopend. Dan danst de kreupele als een hert en juicht de tong van de stomme”. Hoe zouden we niet kunnen vertrouwen op de belofte van God in deze moeilijke tijd, waarin het kwaad lijkt te overheersen en die ons zonder hoop en antwoorden laat? Als wij onszelf zijn kwijtgeraakt, als wij hebben toegegeven aan de berusting, als wij zijn meegegaan met wie alleen maar klaagt en de schuld aan de anderen geeft, als we soms de schuld van ons ongeluk en van de moeilijkheden van onze tijd op de armen hebben afgeschoven, is het moment gekomen om ons te bezinnen en onze onzekerheden en twijfels aan de Heer toe te vertrouwen. Hij laat ons niet in de steek en Hij laat ons niet achter zonder antwoorden. Maar we moeten geloven, dat wil zeggen: ons toevertrouwen aan zijn woord, ernaar luisteren en het in praktijk brengen. Er is toekomst, er is hoop voor allen die radeloos zijn. Het is ons gegeven om vanaf nu “de glorie van de Heer te zien”.

Gebed voor de armen

Zondag 8 december

2de zondag van de advent
Feest van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria

Genesis 3, 9-15.20; Psalm 98; Efeziërs 1, 3-6.11-12; Lucas 1, 26-38

Op deze tweede zondag van de advent vieren we het feest van de moeder van God, de onbevlekte, dat wil zeggen: ontvangen zonder de erfzonde, zonder die neiging die elke mens aanzet tot het kwade. Het boek Genesis vertelt over de symbolische gebeurtenis van Adam en Eva, die liever de stem van de slang volgen dan die van God, die hen in een tuin had geplaatst waar zij in vrede leefden en waar God zelf met hen sprak, wandelend in de morgenbries. De twee konden zich voeden met de vruchten van alle bomen, behalve met die van de boom die in het midden van de tuin stond, op straffe van dood. Maar de slang verleidde hen en overtuigde hen ervan dat God jaloers op hen was. Ze zei hun: “Je zult helemaal niet sterven! God weet dat je ogen open zullen gaan als je van die boom eet, en dat je dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad”. Dit dramatische verhaal onthult het mysterie van die zonde, die met recht en reden de oerzonde wordt genoemd, in de zin dat ze aan de oorsprong van het kwaad staat, ook van het kwaad van deze tijd. De slang wijst op de aanwezigheid van de verleider in de wereld, die de mens aanzet tot een ware cultus van zichzelf: “worden als God”. Ja, sindsdien gaat het kwaad door met mensen aan te zetten tot zelfverheerlijking, door ruimte te laten voor trots, door eerder aan zichzelf te denken dan aan anderen. Hier zien we de bron van verdeeldheid, onrecht, haat, vernielingen, conflicten en oorlogen. De verleider zet zijn werk verder en dringt binnen in de diepste plooien van het hart van de mens: relaties smelten weg en de verdeeldheid vermenigvuldigt zich. Het lijkt een kettingreactie die niet te stoppen is.
Maar dan is er Maria en haar mysterie, dat we vandaag al in haar ontvangenis overwegen. Deze jonge vrouw – die de vrouw in herinnering roept die de kop zou vertrappen van die slang die Eva tot de zonde had aangezet – is gevrijwaard van de erfzonde, van die neiging tot eigenliefde die elke mens verwondt. Met Maria wordt de tragische kettingreactie die de mens tot geweld en de dood brengt onderbroken. Ontvangen zonder deze schuld begint Maria een nieuwe bladzijde in de menselijke geschiedenis, die van vriendschap met God, nog mooier dan die van de voorouders. Zij waren begenadigd door de dood. Wij zijn deelgenoot gemaakt van een grotere hoop. Maria werd zonder zonde ontvangen door genade, niet door verdienste. Zij die de Zoon van God in haar schoot moest ontvangen kon niet worden bevlekt door de erfzonde, herhalen de kerkvaders vaak. De liefde van de Zoon heeft de moeder beschermd.
Dit mysterie van Maria, beschermd tegen het kwaad, dat we vandaag overwegen, is niet vreemd aan het mysterie van de kerk, de gemeenschap van gelovigen. Het geloof van het volk van God heeft dit feest overal in de wereld heel populair gemaakt. De blik van de Heer op Maria vanaf het moment van haar ontvangenis is dezelfde als die op de kerk.
Dat is het mysterie van Maria, de onbevlekte, mysterie van de kerk, mysterie van de gemeenschap van de gelovigen. Ook als haar ledematen zondaars zijn, is de kerk, net als Maria, geroepen om te luisteren naar de stem van de engel en ook ja te zeggen. En wij zullen horen dat de engel de woorden ook tot ons richt: “Schrik niet, Maria, […] voor God is niets onmogelijk”.

Gebed op de dag des Heren

Zaterdag 7 december

Gedachtenis van de heilige Ambrosius (+ 397), bisschop van Milaan, herder van zijn volk, beschermer van de armen en de zwakken tegen elke onderdrukking, sterke verdediger van de kerk tegenover de arrogantie van de keizer.

Jesaja 30, 19-21.23-26. Dit is de weg, volg die

19 Volk van Sion, volk dat in Jeruzalem woont, u hoeft niet meer te wenen.
De heer zal u genadig zijn als uw roepen tot Hem doordringt;
zodra Hij het verneemt, zal Hij u verhoren.
20 De Heer heeft u het brood van de benauwing en het water van de verdrukking gegeven,
maar uw leermeester zal zich niet langer verborgen houden:
met eigen ogen zult u Hem zien.
21 Met eigen oren zult u achter u een stem horen zeggen:
‘Dit is de weg, volg die, of u nu naar rechts gaat of naar links.’
23 Dan schenkt de heer regen aan het zaad dat u op uw akkers zaait,
en het brood dat uw akkers opbrengen, zal smakelijk en voedzaam zijn.
Op die dag grazen uw kudden in uitgestrekte weiden;
24 uw ossen en ezels, die de grond bewerken,
zullen voer eten met zuring vermengd,
zorgvuldig opgeschud met schop en hooivork.
25 Vanaf elke hoge berg en elke hoge heuvel stromen beken vol water,
op de dag van de grote slachting, als de versterkte torens ineenstorten.
26 Het licht van de maan zal als het licht van de zon zijn,
en het licht van de zon is zevenmaal sterker,
even sterk als het licht van zeven dagen,
op de dag dat de heer de wonden van zijn volk verbindt
en het geneest van de opgelopen kwetsuren.

In de geschiedenis zijn er vaak moeilijke tijden, waarin de mensen samenwerken om aan te zetten tot conflicten en oorlogen. Maar de profeet is degene die te midden van de beproevingen en de ellende van de geschiedenis de troostende aanwezigheid van de Heer weet te zien en aan te wijzen. Daarom wekt hij in het volk de kracht van het gebed: “De Heer zal u genadig zijn als uw roepen tot Hem doordringt; zodra Hij het verneemt, zal Hij u verhoren”. De Heer wordt in het gebed een Meester die de weg wijst in tijden waarin mensen gedesoriënteerd leven, zonder te weten welke weg te volgen. Dan moeten we ons hart openen om te luisteren naar dit woord. “Met eigen oren zult u achter u een stem horen zeggen: ‘Dit is de weg, volg die, of u nu naar rechts gaat of naar links’”. Er is een woord, een stem die van achter ons komt, namelijk uit onze geschiedenis, uit ons verleden, maar die ons uitnodigt om naar de toekomst te kijken, om niet stil of berustend te blijven of achterom te kijken. De profeet herinnert ons eraan dat de Heer, die de wereld geschapen heeft en de geschiedenis leidt, de aarde voldoende vruchten zal schenken en zorg zal dragen voor de wonden van zijn volk. De Heer, die de vermoeidheid van ons leven, de angst en de ontreddering tegenover het kwaad en het geweld kent, komt in ons midden als de barmhartige Samaritaan van de geschiedenis. En ook door ons gebed wordt Hij ontroerd door onze gekwetste wereld en komt Hij haar te hulp om haar te genezen.

Gebed op de vigilie

Vrijdag 6 december

Gedachtenis van de heilige Nicolaas (+ 343) van wie de relikwieën zich bevinden in Bari. Hij werd bisschop in Mira in Klein-Azië (het huidige Turkije); hij wordt vereerd in heel het oosten. Gedachtenis van alle christenen die in het oosten wonen.

Jesaja 29, 17-24. Op die dag zien de blinden

17 Nog een korte tijd, en de Libanon verandert in een boomgaard,
en die boomgaard wordt gelijkgesteld met een woud.
18 Op die dag horen de doven de woorden die uit een boek worden voorgelezen, en zien de blinden,
want hun ogen zijn bevrijd van duisternis en donker.
19 De onderdrukten vinden hun vreugde in de heer,
de armsten onder de mensen juichen voor de Heilige van Israël.
20 Dan is het gedaan met de onderdrukkers,
dan is het uit met de opscheppers;
en iedereen die op kwaad zint,
wordt uitgeroeid:
21 degenen die door hun getuigenis anderen helpen veroordelen,
die de rechters in de poort proberen te strikken,
en die onschuldigen zonder grond hun recht onthouden.
22 ‘Daarom’, zo spreekt de heer,
de God van het huis van Jakob,
Hij die Abraham heeft verlost:
‘Nu zal Jakob niet meer beschaamd worden,
zijn gezicht zal niet meer verbleken.
23 Als hij en zijn kinderen
zien wat Ik doe in hun midden,
zullen zij de heiligheid van mijn naam erkennen.
Zij zullen de heiligheid van Jakobs Heilige erkennen,
ontzag hebben voor de God van Israël.
24 Zij die verward zijn komen tot inzicht,
de misnoegden laten zich onderrichten.’

Deze woorden beëindigen het hoofdstuk dat gewijd is aan Jeruzalem, waarvan de afstraffing vanwege zijn spirituele blindheid werd aangekondigd. Jesaja echter profeteert over het grote werk van de verandering van de mensheid. We hoeven niet lang te wachten, zegt de profeet: “Nog een korte tijd”, en de Heer zal optreden. Dit woord wil ons laten voelen wat er gebeurt wanneer de Heer optreedt: “De Libanon verandert in een boomgaard, en die boomgaard wordt gelijkgesteld met een woud”. Ook de schepping doet haar voordeel met de verandering van het hart van de mensen. Zij zullen op aarde leven zonder haar te verstoren, zonder haar uit te buiten voor hun eigen belangen. Waakzaamheid, dat wil zeggen volhardend luisteren naar het woord van God, is onmisbaar. De profeet maakt duidelijk dat het volk erin slaagt om de ogen te openen voor Gods trouwe liefde voor zijn kinderen, als het niet meer doof is voor het woord van God. Zo deed Abraham, brengt hij Israël in herinnering. Het volk van God, een nederig volk dat zich toevertrouwt aan de kracht van zijn Heer, staat naast het volk van de armen dat zich verheugt op de nabijheid van de Heilige van Israël. Er is een nieuw verbond tussen het volk van de gelovigen en het volk van de armen: zij verenigen zich samen in de nieuwe wereld van God, waar de tiran en de hoogmoedige worden neergehaald, en allen worden verslagen die onrecht beramen en valstrikken zetten. Met dit nieuwe verbond vestigt God het nieuwe rijk. De profeet zegt: “Jakob zal niet meer beschaamd worden, zijn gezicht zal niet meer verbleken. Als hij en zijn kinderen zien wat Ik doe in hun midden, zullen zij de heiligheid van mijn naam erkennen”. Niet alleen zullen de gelovigen zich niet schamen, maar zij zullen zich kunnen verheugen over de werken die de Heer door hen te midden van de mensen heeft gedaan.

Gebed van het heilig kruis